De Molen van Balke of Moezemölle.

Kadasterkaart rond 1830. Willem Bulsink die landbouwer was op de boerderij Klein Bulsink vroeg in 1859 toestemming aan de provincie voor de oprichting van een windkorenmolen.
Hij dacht een geschikte lokatie te hebben gevonden, vrij gelegen en bereikbaar door verschillende wegen.
Het stuk grond was kadastraal bekend onder Sectie H nummer 387 en was toen nog niet zijn eigendom.

Er ontstond een briefwisseling tussen de provincie en de gemeente Aalten over deze aanvraag.
De gemeente berichtte geen bezwaar te hebben tegen deze molen, mits deze minstens 45 ellen van de weg af werd geplaatst.
Ook de buren Freers, Buenk en Schurink hadden dan geen bezwaren.
Toen bleek dat de afstand tot de weg slechts 20 el was, werd het nog geen probleem.
De gemeente schreef naar de provincie dat het geen belangrijke weg was, maar slechts een "mestweg" om op de landerijen te komen.

Hebben wij de Eer onder terugzending van gemeld Adres en met bijvoeging van twee processen verbaal, houdende verklaringen van de naast belendede bewoners, Ued. Grootachtb. te berigten dat doordien het opgegevene stuk land geene meerdere breedte heeft, de molen niet verder dan twintig Ellen van den langslopenden weg kan verwijderd blijven, doch dat dezen weg, geen weg is waar rijtuigen passeeren,maar voornamentlijk moet beschouwd worden als mestweg om te komen bij de aldaar gelegen Landerijen.
En dat overigens het gemeentebestuur geene bedenkingen heeft tegen de inwilliging van het gedane verzoek.

In januari 1860 kreeg Bulsink toestemming om zijn molen te bouwen.
Intussen had enige maanden daarvoor Wennink uit Drempt ook toestemming gekregen voor het oprichten van een molen in Lintelo, deze kwam aan de Gendringseweg te staan.

Bulsink kocht de benodigde grond van Roelof Arentzen, Bernardus Stronks en Harmen Jan Huisstede en liet de molen er neer zetten.
In 1861 was dit karwei geklaard.
Het kadaster tekende op 13 juli 1861, de molen werd als een achthoekje getekend.
Drie jaar later kwam er nog een huis bij de molen te staan.
Wanneer Willem Bulsink in 1867 overlijdt, gaat zijn vrouw door met twee consorten.
In 1883 en 1884 vinden meerdere scheidingen plaats en krijgt de molen vele eigenaren.

In de literatuur over deze molen bestaan vele verschillende opvattingen over het type molen.
Een standerdmolen is niet erg waarschijnlijk, omdat dit type in die tijd al een beetje uit was.
Omdat gelijktijdig de Wenninkmolen gebouwd werd, zal Bulsink ook wel niet onder willen hebben doen voor deze molen.
Op de originele kadasterkaart is de molen als een achtkant getekend en er wordt niet over een belt gerept.
Waarschijnlijk was het dus een achtkantige grondzeiler.
Ook uit aantekeningen van Beckers, de molenbouwer uit Bredevoort, blijkt dat het een achtkantige grondzeiler geweest is die met riet was afgedekt.

In 1909 is de nieuwe eigenaar Dirk Martinus Balke, de molen kreeg toen ook de naam "molen van Balke".
Maar het liep niet erg goed met de zaken, de concurrentie van de Wenninkmolen was er en de ligging van de molen van Balke was ongunstiger dan die van de Wenninkmolen.
Waarschijnlijk in 1918 werd de molen gesloopt, het molenaarshuis bleef.
Een jaar later vertrok de familie Balke naar Gendringen.

Bron: J.W. Geesink te Aalten.













De molen van ter Haar.

De molen van ter Haar. Deze molen werd ook wel de molen van Streek of de oude molen genoemd.
In 1402 wordt er al over een molen op deze plaats gesproken.
In 1675 wordt vermeldt:"De wint ende het gemael, mitsgaders de wintmeulen des karspels Aelten is als een besonder leen, enz....., opgedraegen aan Thomas Trapman.

In de eerste helft van de 19e eeuw stond daar een standaardmolen.
In 1849 is de molen, nu als achtkantige houten beltmolen, herbouwd door E.Roerdink, F.H. Lindehovius en J.W. Velthuis.
Op hoop van zegen beitelde men in een steen boven de ingang.

In 1921 werd de molen herbouwd op de bestaande stenen onderbouw.
Deze kwam uit Dedemsvaart.
Hierbij werd nog een as gebruikt die uit de verbrande molen van Vierakker kwam.

Eind 1929 waaide deze molen stuk, de wieken gingen verloren.
Blijkens een bericht in de krant in 1930 vroeg de heer van Eerden of de molen niet kon worden hersteld.
Het was de enige nog draaiende molen in Aalten.
Eigenaar was B. Klein Lebbink in Almen.

De foto is uit 1923 en laat de molen in zijn glorietijd zien.
Op de bult staan de gebroeders G.H. en H. ter Haar.
In 1961 staat er nog in een adresboek dat er een molen staat aan de Koningsweg, maar in het boek van 1967 wordt het beschreven als molenwrak.
In dat jaar worden de restanten gesloopt en verbrand.
Het einde van de molen van ter Haar.
Bron:E. Smilda
















De Tjasker op de Haart.

Tjasker. Hier links achteraan de Kriegerdijk, zie je op het huis de naam Molenweide staan.
In een koopakte uit 1914 wordt de naam "molenweide" al gebruikt.
Op een kaart van het kadaster uit 1930 wordt duidelijk een plek vermeld, die als "windtonmolen" aangegeven wordt.

Uit verhalen van oudere mensen wordt de naam molenpaal soms genoemd.
Dit zou rond 1920 geweest zijn, waarschijnlijk bestond toen alleen nog de paal en waren de wieken al verdwenen.
De molen heeft aan de rand van ontgonnen grond en woeste veengrond gestaan, waarschijnlijk was het een tjasker die gebruikt werd om overtollig water van de bouwgrond te verwijderen.
Nu nog is duidelijk een laagte te zien in deze weide, het grondstuk achter de wal was toen nog onontgonnen heidegrond, waarop het overtollige water goed geloosd kon worden.

Bron:
Martie te Brake.
Fam. Heersink.
















De molen van Assink.

De molen van Assink. In 1849 werd de molen van Assink gebouwd.
Het was een korenwindmolen van het type achtkantige bovenkruier.
Op pinksterdag 1911 werd de molen door de bliksem getroffen en brandde grotendeels af.
De resten werden opgeruimd, de romp bleef nog lang dienst doen als opslagruimte.

De laatste molenaar was Lammers, hij lustte graag een borrel.
Het verhaal ging, dat hij een speciale kelder in zijn huis had waar hij zijn flessen bewaarde.
Bij de verbouw van de woning in de negentiger jaren kwam er inderdaad een soort kelder onder de vloer te voorschijn.
Maar de kelder was helemaal leeg, het zou ook best wel eens een aardappelkelder geweest kunnen zijn.

Toen de resten van de molen gevaar konden opleveren werd besloten de romp te slopen.
Dit gebeurde in 1990.
Op de foto zie je de romp van de molen rechts van de schuur staan.
Het raam van de molen is bewaard gebleven, het hangt in het huis van Assink.

Bron:
Molendatabase.
Fam. Assink.
















De Hoop.

De Hoop in de Molenstraat. In 1852 was er een aanvraag bij de gemeente Aalten gekomen van de heren Buenk en Freriks.
Zij wilden een molen bouwen die voor meerdere doelen geschikt moest zijn.
Het zou onder andere een zaagmolen moeten worden.

Ook was de bedoeling om eikeschors te malen, dit werd gebruikt door leerlooiers.
Met een leerlooierscentrum als Lichtenvoorde in de buurt zou dat vast wel werk opleveren.
De gemeente had geen bezwaar en de vergunning kwam er.

De molen werd net buiten Aalten op een hoog punt aan de noordwestelijke kant gebouwd.(thans Molenstraat)
In 1858 werd Freriks alleen eigenaar omdat zijn compagnon zijn deel aan hem verkocht.
Molenaar werd toen de heer Lammers, die de molen weer overdeed aan zijn zoon.

In 1916 werden de wieken verwijderd, de molen werd voorzien van een 75 pk motor, die krachtig genoeg was om het vele zaagwerk te verrichten.
Later wordt Klomps de nieuwe molenaar, hij laat de aarden wal verwijderen en de molen wordt twee meter ingekort.

Eind vijftiger jaren verkoopt hij de molen aan de Coöperatieve Landbouwvereniging.
In 1968 worden de aktiviteiten gestaakt, de molen wordt dan gesloopt om plaats te maken voor woningbouw.


Op deze foto is de aarden wal nog te zien.

Bron:
Molendatabase.
Graafschapbode.
Wim Buessink.
















De Eendracht of van Eerdens Mölle.

De Eendracht of van Eerdens Mölle . Op 26 maart 1844 besprak de gemeenteraad een verzoek van timmerman J.B. van Eerden aan Z.M. Koning Willem II "tot de oprigting eenen KoornWindmolen in den zoogenaamde Aaltensche Esch aan de melkertsweg bij het dorp".

Er was een bezwaarschrift ontvangen van E. Roerdink c.s., eigenaren van de Oude Molen in de es aan de Koningsweg.
Hierin werd gesteld, dat de ingezetenen geen behoefte hadden aan nog een molen en dat Roerdink en de zijnen minder inkomsten zouden genieten.
De gemeenteraad vond het tweede argument aannemelijk, maar het eerste niet en besloot de vergunning te verlenen.

In 1845 kwam de achtkantige, houten beltmolen met de naam 'De Eendracht' gereed als houtzaag- en korenmolen.
In latere tijd kreeg de molen het huisnummer B 207 in de serie huisnummers van de huizen aan de Hogestraat.
Via een pad naar boven, later bekend als 'het pad van Gaans' kon men op de Varsseveldsestraatweg komen.
In 1934 kreeg de molen het officiele adres Varsseveldscheweg 31.

In 1967 was het grootste deel van de molen verdwenen en stond terplaatse de zagerij van W.A. van Gaans.
In de loods was toen nog een achtkantig opgemetseld stuk van de molenonderbouw terug te vinden.

Bron:E.M.Smilda
















De watermolen bij de Ahof.

De watermolen op de Pol. Rond 1500 is er al sprake van een watermolen in de Slinge bij de Ahof.
Door het hoog houden van het waterpeil had men in Bredevoort soms dusdanig last van deze molen dat de schutten gelicht werden en naar Bredevoort gebracht werden.
Bij hoge waterstand liepen in Bredevoort de kelders onder, en de daar aanwezige watermolen kon dan ook niet goed draaien.

Door de hoge waterstand in 1503 werden beide molens beschadigd, er moest aan gerepareerd worden.
In 1504 werden er twee stenen gekocht in Rees, één voor Bredevoort, en één voor de Aaltense molen.
Beide molens waren weer in staat hun werk te doen.

In 1667 was Berent Grevinck de eigenaar van de Ahof, zestig jaar later werd zijn schoonzoon Arentsen de eigenaar.
De familie Arentsen zou tot aan het einde van deze molen de eigenaar blijven.
Volgens Staring, die de molen in 1846 beschreef, was het een molen met drie onderslagraderen en een kort daarvoor bijgebouwd bovenslagrad.

Op 1 mei 1853 brandde de molen af, hoewel de molen weer hersteld werd, was de bloeiperiode voorbij.
Rond 1890 verliet de molenaar Gerritsen Aalten om de molen in Vorden over te nemen.
De gemeente besloot de molen over te nemen, op deze manier konden ze ook beter de wateroverlast in Bredevoort en Aalten aanpakken.
Enige jaren draaide de molen nog, maar in 1894 werd deze volledig gesloopt.


Na de sloop van de watermolen.

Bron:E.M.Smilda
















De molen van Hakstege.

De molen op het Rot, of de molen van Hakstege. Tot 1896 stond op deze plek een molen met de naam " De Knötte ".
Door brand werd deze verwoest en er werd een nieuwe molen gebouwd.
Dit werd de molen op het Rot, in de volksmond stond de molen bekend als "Molen van Hakstege".
De eigenaar en tevens molenaar was de heer D. Hakstege.
Bram Hakstege voor zijn molen. De stenen voor de nieuwe molen werden per spoor aangevoerd.
Na het overlijden van de molenaar werd zijn zoon in 1954 eigenaar van de molen.

De molen was intussen al in 1931 onttakeld omdat de kosten voor een nieuwe as te hoog waren.
In 1952 werd er nog zware stormschade aan de molen toegebracht.

Door ziekte moest de nieuwe eigenaar de molen weer overdoen.
Omdat er geen opvolger werd gevonden, werd de molen in 1963 verkocht aan de chr. Mulo, die de ruimte kon gebruiken voor uitbreiding.
De sloop van de molen op het Rot. Van 1964 tot 1968 zat ik op deze school, en daarom kan ik mij de molen nog goed voor de geest halen.
In 1970 werd de molen kompleet gesloopt.

Bron:Molen database internet.
Mevr. Hakstege.



















Rosmolens.

Tekening van een rosmolen uit de achttiende eeuw. Een rosmolen is een type molen die in plaats van wind of water door een trekdier aangedreven werd.
Hiervoor werden dus meestal paarden gebruikt.
Deze dieren liepen vastgemaakt aan een boom rondom het kamrad.
De langzaam draaiende beweging van dit rad werd overgebracht op een veel kleiner rad, zodat de snelheid veel hoger werd.
Door dit rad werd de maalinrichting in werking gezet.

Ook in Aalten bestonden deze molens, soms tot ergernis van de andere molenaars.
In 1739 klagen de molenaars Arentzen en Heusinkveld, van de watermolen aan de pol, over de wildgroei van rosmolens.
Het kost hun namelijk veel klanten.
Vooral omdat deze molens vrij van verponding konden werken was het natuurlijk oneerlijke concurrentie.

Arentsen schrijft:
dat wijlen des selfs vader Roelof Arentsen in den jare 1739 de watermole tot Aalten voor een sekeren penning geldt met approbiatie van Uw Edelmogende in erfpagt heeft genomen.
Hij moet wel alle lasten dragen en reparaties doen en iedere zes jaar weer een nieuw kontrakt aangaan.
Het onderhoud schat hij op ongeveer tweehonderd gulden per jaar.
Voor de (beunhazende) rosmolens was dit niet van toepassing.

In Bredevoort zijn resten van een rosmolen gevonden.


Deze stond op de plek waar nu de Vismarkt is, dus dicht bij de windmolen.
Dit is vast geen toeval, bij een belegering was de molen natuurlijk al snel beschadigd of vernield.
Boven op de wal was dit een gemakkelijk doelwit, en voor de voedselvoorziening van de stad was de molen erg belangrijk.
Doormiddel van de rosmolen kon men dan toch blijven malen.

Bron:
Molens Mulder Meesters door H. Hagens.
Martie te Brake.

















De watermolen in Bredevoort.

watermolen. Al meer dan 500 jaar geleden wordt er al melding gemaakt van een watermolen in Bredevoort:
Acte van Everwijn Graaf tho Benthem und Stenforde d.d. 25 Mai 1503:

……so de molle in den wall tho Brederforde in kortten jaeren getimmert unde gelacht isz, mich dersolvigen mollen unnd stuwinge der waters der borchmanne erve und guedere und der alingen inwonren huesse unnd keldere binnen unnd buethen Brederforde merckleichen verdrenckhe unnd verderflich worden, dat men die molle sall tymmeren und in bijwesen des amptmans tho Brederfort unnd der borchmanne oiffte ohrer vulmechtigen sall eine mathe macken und stellen und alsulchs wall averteleggen, dat dat stuewen des wathers tho der mollen also sal gelacht werden dat dat wather geinen schaden konde oder moige doen der borchmannen und den inwonneren tho Brederforde binnen unnd buithen an oren erven unnd guederen unnd kelderen mit alsodanen vorwarden, dat men van Passche-daghe an hen tho sunct Michaelisdage des hilligen ertzengels nicht sall malen oder hoegher dat wather stuwen ader uphalden dan die gesatzte mathe vermagh und nhabringt.

……daar de watermolen inde stadsmuur van Bredevoort een korte tijd geleden getimmerd en gebouwd is, en me deze molen en de stuwing van het water de erven en goederen van de borgmannen en van alle inwoners de huizen en de kelders zowel binnen als buiten Bredevoort in sterke mate onder water zet en in slechte toestand doet raken, zal men de molen verbouwen en in het bijzijn van de drost en van de borchmannen of hun gevolmachtigden er in goed overleg een maatlat aan maken en opstellen zodat het stuwen van het water naar de molen zo zal vastgelegd worden dat het geen schade meer kan doen aan de erven, goederen en kelders van de borgmannen en inwoners van Bredevoort door te bepalen dat tussen Pasen en St. Michaelis (19 september) niet gemalen zal worden en het water niet hoger zal worden opgestuwd dan de aangebrachte maatlat aangeeft.

De preciese ligging van deze molen is niet bekend.

Bron: Martie te Brake.

















De Prins van Oranje.

De Prins van Oranje in Bredevoort. Rond 1700 werd door koning-stadhouder Willem de Derde toestemming verleend voor de bouw van een molen in Bredevoort.
Het werd een standermolen op Welgemoed, een van de zes bolwerken van Bredevoort.
Deze molen hield het vol tot 1869, in dat jaar brandde de molen geheel af.

Meteen werd begonnen met een nieuwe molen, daarvoor werden Pruisische metselaars aangenomen.
Door het uitbreken van de oorlog tussen Frankrijk en Pruisen lag de bouw nog enige tijd stil.
De Pruisische metselaars moesten hun land verdedigen.

In 1968 werd de molen geheel gerestaureerd en begin negentiger jaren werd het technisch gedeelte onder handen genomen.
Ook werd er toen weer een tweede beltdeur aangebracht.
De belthoogte is 3,5 meter en dit geheel staat weer op een zes meter hoge stadswal.
De Prins van Oranje is dan ook een prachtige blikvanger in Bredevoort.

Op de foto zie je boven op de molen een uitkijk.
De molen werd in de oorlog gebruikt door de Duitsers als uitkijkpost voor vliegtuigen.

Eigenaren van de molen waren: Gt. Wm. Heusinkveld (1870 - 1890), F. Heusinkveld (1890 -1920), firma Navis (1920 - 1973) en J.W. Woordes (1973 - 2006)

Bron: Internet.
Martie te Brake.

















De molen van Grevink in Barlo.

De molen van Grevink in Barlo. De molen van Grevink werd gebouwd in 1856.
Het was een achtkantige bovenkruier, type beltmolen.
In 1944 werd de molen ontakeld, er werd nog jarenlang gemalen, maar hiervoor was geen windkracht meer nodig

Op 29 maart 1986 brak er een brand uit, die voorgoed een eind maakte aan deze molen.
Vroeg in de morgen werd de brand ontdekt, de brandweer kon niets meer redden van de molen, maar kon wel voorkomen dat een varkensschuur teloor ging in de vlammen.
Over de oorzaak van de brand is niets bekend.

Het trapje op.... Het kippenvoer is weer'es op en aj de beeste en de krielen ok, an de leg wilt hollen dan zuj doar wat an motten doon.
Jan, aj van schole tuuskomt moj eerst noar de mulder um 25 kg gemengd graan met gebrokken mais te halen.
Das good, tenslotte hek zelf ok nog veer patriezen wie doar van gratis metvret.

Op de fietse deur n'es, achter langs Kampman en de Koekoek, bij de marieboom veurbij en dan buj der al.
Ze bunt met de Zilverbeke bezig, ik geleuf datter nije dukers inkomt.
Dan mok met de fietse over een akelig smal plenksken en ik heb al een betjen boekpiene ovver de terugweg, met den zwoaren zak op de fietse.

Bij de molle effen de uutgesletten tree op en dan meteen links in zien kantoor zit de mulder.
He proat heel rustig en bedaard en miene bestelling schrif he op een mooi rozepeers breefken.
Den heel aparten geur wij doar henk, kan ik mij nog good veur de geest halen.

Met dat breefken zeuk ik van Eerden op en den mek mij de bestelling vlot kloar, hee geet met noar buuten um de zak op miene fietse te leggen.
Moar eerst gow noar ziene voliere kieken, he hef hardstikke mooie goldfazanten, veural ene henne wee apart donker is, en der zit ok vulle doeven in.
Ik heb joaren lang gedacht dat he bij de molle wonnen, moar dat was neet zo, he had der alene ziene voggels.
Aw alles weer bekekken hept, go ik op huus opan.

Akelig veurzichtig schraggel ik volbeladen over het orpelige plenksken ovver de beke, en ik hoppe dak neet valle en deur de woeste stroom van de Zilverbeke metesleurd worde.
Het geet good, en ak thuus komme, bunt de kippen blij met het nije voer.


Bron: Internet.
WvA.

















De molen van Brunsveld.

De molen van Brunsveld in IJzerlo. In 1856 werd door Harmen Jan Huisstede een stuk grond gekocht van Wessel Veerbeek.
Huisstede bouwde op dit stuk grond een molen van het type grondzeiler.
De wieken gingen dus vlak langs de grond en ongelukken zouden dan ook niet uitblijven.

Een van de eerste molenaars op de achtkantige molen was Hendrik Jan te Kotte, na zijn dood werd de molen in 1887 verkocht aan Jan Teube Westerveld.
Kort daarna raakte de molen in ongebruik.

Op 8 september 1891 werd de molen gekocht door Antoon Brunsveld.
Brunsveld kwam van de kruisberg bij Doetinchem en had het molenaarsvak geleerd bij de Benninkmolen in IJzevoorde en op de molen in Doetinchem.
Later werkte hij ook nog bij de Kempermolen in Breedenbroek
Deze molens bestaan nu allemaal nog.

Eerst bleef hij als een echte forens wonen in Doetinchem.
De weg naar IJzerlo werd lopens op de klompen afgelegd, maar op de zondag moest hij terug zijn in Doetinchem, om daar zijn kerkbezoek af te leggen.

In 1893 trouwde hij met Gesina Johanna Pennings van Thijs en toen gingen ze bij de molen wonen.
Zijn schoonvader had daar een woning voor hen laten neerzetten.
Antoon begon nu ook brood te bakken en in de molen werden ook rookwaren en andere dingen verkocht.
Hier werd de grondslag gelegd voor de huidige buurtsuper Brunsveld, een van de laatste buurtwinkels in de hele Achterhoek.

De as wordt verwijderd. In oktober 1924 is de molen onttakeld.
Het bedrijf Brunsveld & Zonen werd verder door stoom aangedreven.
De sloopvergunning werd in 1965 afgegeven, maar pas in 1979 werd het restant van de molen gesloopt.

Bron:Fam. Brunsveld.
Nestiezern Centraal: Hans de Beukelaer/Hans Boerrigter.
Molendatabase internet.






























De Wenninkmolen in Lintelo.

De Wenninkmolen in vroeger tijden. Oprichter en bouwer van deze molen was Wennink, die de molen in 1860 liet bouwen.
Hij was afkomstig uit Drempt.
Ongeveer tezelfder tijd werd ook de molen van Bulsink in Lintelo gebouwd.

Jaren later werd de fam Wisselink eigenaar.
Deze verkochten de molen aan de coöperatieve landbouwvereniging.
Toen deze de molen niet meer nodig had als verkooppunt voor de boeren in de omtrek, kocht aannemer Nijland de molen met bijgebouwen om zijn zaak uit te breiden.
Sinds december 2007 is de molen in eigendom van de Stichting Behoud van de Wenninkmolen, die zich inzet om de molen goed te houden.

Toen de molen nog dagelijks in de weer was voor boer en bakker, was het wel eens zo dat de mulder eens ziek was.
Dan kwam de molenmaker ten Have uit Aalten wel even helpen.
Deze man was niet bang uitgevallen.
Hij liet de molen fiks draaien, veel harder dan de molenaar dat gewend was.
Waarschijnlijk was hij door de angst voor het harde draaien en misschien averij, extra snel beter?

Bij windstilte of te weining wind werd overgeschakeld op motorkracht.
Eerst met een ééncylinder zuiggasmotor en later op elektriciteit.

Bron: Martie te Brake.

















De papiermolen aan de Zilverbeek.

In de loop van de zeventiende eeuw kwam er steeds meer vraag naar papier.
Kapitein Anthony Zwaan en zijn vrouw Maria van Diemen uit Bredevoort besloten daarom een papiermolen op te richten.
De keus viel op de Zilverbeek in Barlo, omdat deze beek mooi helder water aanbracht.

Op 27 februari 1688 wordt Hendrick toe Hietbrinck, die dan de bewoner is van de boerderij Rikkerdink, dichtbij de zilverbeek, de eerste molenaar op de papiermolen.
Hij vraagt op die dag aan de heer van Borculo om het goed Rikkerdink te mogen bezwaren.
Een jaar later staat er in de leenboeken, dat
....hij hetselfde beswaarde ende verhypotheseerde bij desen voor duisent gulden....

Toen Geert Meynen uit Barlo in dienst kwam bij de molen ging hij daar ook wonen.
Zijn familienaam veranderde toen in Pa(m)piermole.

Toen Hietbrinck die ook inner van de belastingen was, achtergeraakt was met de afdracht van de belastingen, werden zijn bezittingen overgenomen door de Heer van Lichtenvoorde.
De boerderij werd afgebroken en het goed Rikkerdinck werd opgedeeld in enerzijds het goed de Papiermole en anderzijds de landerijen met de naam Rikkerdink.

Wiquerink de Papiermeule genoemt bestaende in een woonhuys neffens een hof, Hietbrinks hoff en weyde.

De molen stond op de noordoever van de Zilverbeek, ongeveer 150 meter stroomafwaarts vanaf Markelink.
Wanneer Anthony Zwaan en zijn vrouw Maria van Diemen kinderen krijgen worden deze onder de naam Papiermaeker ingeschreven.
Geert Meynen, oftewel Geert Papiermoolen wordt de nieuwe eigenaar van de molen.

In de "Geografische beschrijvinge van de provintie van Gelderland"uit 1772 staat dat op de Zilverbeek
voormalen een papiermolen, waar zeer goed papier wierde gemaakt, gevonden wierde.
In dat jaar was de molen dus zeker verdwenen.

De reden van de verdwijning moet gezocht worden in het feit dat de Zilverbeek steeds minder water aanbracht, waarschijnlijk door de betere afwatering in de Schaarsheide.
Oude kaarten geven dan ook minder aanvoerbeekjes aan, naarmate de tijd vordert.

Uitsnede van een kadasterkaart uit 1828. In 1806 wordt nog gesproken over twee huizen, en over een "regulier" woonhuis.
Waarschijnlijk werd de toen niet meer draaiende molen nog wel voor bewoning gebruikt.
Daarna zijn er geen vermeldingen meer over de molen, waarschijnlijk is deze rond deze tijd afgebroken.
Op het kadasterkaartje uit 1828 wordt de molen nog getekend.

De naam Papiermaker bleef bestaan in Barlo, in 1860 laat Jan Hendrik Pa(m)piermole een huis neerzetten op een stuk ontgonnen heidegrond.
Dit kreeg de naam Papiermolen, het huis bij de Zilverbeek werd afgebroken.
De nieuwe Papiermolen staat thans aan de Aladnaweg, tientallen jaren geleden woonde daar nog "Willem van de Piemaeker".

Bron: Pampiermole 1688-1998, Arno Pampiermole.

















Diverse molens.

Ongeveer 200 meter stroomafwaarts vanaf de Grevinkbrug was een watermolen.
In de dertiende eeuw wordt deze al vermeld, behorend bij de Grevinkhof.
Toen in 1969 de Slinge werd aangepast, waren er nog resten van deze molen te zien, over een lengte van 12 meter werden er eiken funderingspalen zichtbaar.

Hoewel het nergens op papier gevonden is, doen de veldnamen Molendijk, Molenkamp en Molenkolk vermoeden dat in het Klooster een molen gestaan heeft.
De restanten van een molenkolk waren in de dertiger jaren nog groot genoeg om op een topografische kaart aangegeven te worden.
Dit is aan de tegenwoordige Kloosterdijk, als je uit Barlo komt, net voor de twaalf apostelen.

In het miden van de negentiende eeuw maakte Staring vele rapporten over de Achterhoekse waterlopen.
Hij vermeldt dan ook dat de Tammelbeek en de Rensinkbeek zoveel water uit het Broek verzamelden als nodig was om een molen aan te drijven.
Daarvan was toendertijd al niets meer te zien.
Aan de Tammeldijk werd bij Rensink tijdens grondwerkzaamheden rond 1910 balkwerk gevonden in de kolk bij het huis.

Bij de Vosheurne in Lintelo heeft volgens de overlevering misschien een molen gestaan.
De veldnaam Mollenstroed doet zoiets vermoeden.
In de dertiger jaren werden er inderdaad paalresten gevonden.
Op papier wordt de aanwezigheid van een molen nergens bevestigd.

In IJzerlo vertelt de overlevering dat er een watermolen gestaan zou hebben bij het erve Hoftijzer.
De plek, of verdere gegevens zijn niet bekend.

Bron: Molens Mulder Meesters door H. Hagens.