De terugtocht bij Moskou.
Aan het begin van de 19e eeuw voerde Napoleon oorlog op vele fronten.
Duizenden soldaten sneuvelden in de strijd, vaak ver van hun vaderland verwijderd.
Om de gedunde gelederen weer aan te vullen voerde Napoleon de conscriptie in, jonge mannen werden gedwongen in het leger dienst te nemen.
In Neede waren van de lichting 1808/1809 al velen vertrokken waarvan de meesten niet terugkwamen.

In 1812 wordt een nieuwe lichting opgeroepen, ook de zoon van de landbouwer Engbert Hengstegoor, Derk, hoort erbij.
Henstegoor die schijnbaar geld genoeg heeft, zoekt een vervanger voor zijn zoon.
Hij belooft Berend Grijzen, die uit een groot gezin komt waarvan de moeder overleden is, 2.000 gulden om de dienstplicht voor zijn zoon te vervullen.
Deze wordt dan als fusilier bij het 126e regiment ingedeeld en komt in Luik terecht.

Op 9 mei schrijft hij een brief naar zijn familie in het verre Neede, waarin hij vertelt nog "vries en gezond " te zijn, en hij hoopt dat ze zijn brief "met gesontheid ontfangen zuelt".
Verder is de strekking van de brief erg neerslachtig, het soldatenleven valt hem zwaar.
Hij heeft helemaal geen geld, dus een brief die aan hem gestuurd wordt door zijn familie kan hij niet eens ontvangen!
Hij verzoekt Hengstegoor dan ook hem geld toe te sturen, "omdat ik voor u zuenne ingetre hebben".
Hengstegoor heeft pas 800 van de 2000 beloofde guldens aan de vader van Berend Grijzen betaald.
Hoewel Berend dus het grootste gelijk van de wereld heeft, verzucht hijzelf: "Maor ik durven niet te klagen, omdat Mijn eijgen schueld is".

In het Franse leger ontvangt hij geen soldij, integendeel, hij loopt regelmatig straf op omdat hij zijn kleding en wapens vaak niet schoon heeft.
Hij heeft geen cent te besteden voor het wassen.
In de brief zegt hij: "Ik ra gen mentse an voor een Rampassanut te trekken".(als een remplacant in dienst te gaan).
Dit was voor lange tijd het laatste wat men in Neede hoorde van Berend Grijzen, men nam aan dat ook hij in het verre Rusland gesneuveld was.

Elf jaar later, op 14 juli 1823 is Jan Hendrik Ruwhof aan het werk op de Needse Berg, als plotseling een vreemdeling komt aan lopen.
Dichterbij gekomen ziet hij tot zijn grote verbazing dat het de doodgewaande Berend Grijzen is.
Ook Schuilenburg en Meijerink die daar aan het werk zijn herkennen de teruggekeerde Berend.
Als een lopend vuurtje verspreid het verhaal zich in Neede, door een hele menigte wordt hij verwelkomd.

Hij wordt naar het huis van de schout gebracht, als deze er niet is wordt zijn taak door een klerk overgenomen.
Hij moet vragen beantwoorden om zijn identiteit vast te stellen, dit gaat goed.
Soms maakt hij fouten, of blijft het antwoord schuldig, maar dan wordt hij door welwillende omstanders weer goed geholpen.
Door de ontberingen in het leger en door de lange reis naar huis is zijn gezondheid geknakt en zijn geheugen soms aangetast, vertelt hij, en de mensen in Neede hebben daar alle begrip voor.

Zijn broer Harmen neemt hem mee naar huis, zijn vader is intussen overleden, maar zijn zusters herkennen hem en begroeten hem met grote blijdschap.
Door de goede verzorging knapt hij zienderogen op, ook zijn geheugen wordt steeds beter.
De mensen horen van zijn verhalen over de strijd bij Moskou en hoe hij gevangen werd genomen en diep het onmetelijke Rusland werd ingevoerd.
Maar liever luistert Berend naar de mensen uit Neede die vertellen over vroeger, toen hij nog thuis was.

Hoe meer mensen Berend sprak, hoe beter zijn geheugen werkte.
Hij wist van veranderingen in de kamer van zijn halfbroer, zag dat er verbouwd was bij ter Aar, en herinnerde zich gebeurtenissen uit zijn kindertijd in Neede.

Na een paar weken besloot Berend de landbouwer Hengsteboer maar eens op te zoeken om te praten over het kontrakt dat hij met deze man had.
Zijn broer had dit kontrakt in zijn bezit na het overlijden van hun vader.
Er moest nog 1200 gulden uitbetaald worden.

Henstegoor twijfelde een beetje aan de echtheid van Grijzen, was dit echt de man die hij 2000 gulden beloofd had om zijn zoon thuis te houden?
Waarschijnlijk werd zijn twijfel gevoed door het feit dat hij nog zo'n groot bedrag moest ophoesten.
Maar het hele dorp had hem herkend en hij moest toegeven dat Grijzen dingen wist die in 1812 bij Hengstegoor thuis gebeurd waren en die ook klopten.
Een koe had Grijzen daar namelijk een stuk uit de broek gebeten, en wie zou dat nu verder moeten weten?
Een klein gedeelte van het geld wilde hij wel aan Grijzen geven, maar hij bleef twijfelen.

Grijzen liet het er niet bij zitten, hij riep de hulp in van een zaakwaarnemer en wilde een rechtzaak beginnen.
Hengstegoor koos eieren voor zijn geld en wilde uitbetalen, mits er een certificaat van de schout kwam, die de identiteit van Grijzen op wettelijke wijze aantoonde.
De schout van Neede riep de hulp in van vier onpartijdige getuigen.
Een van deze getuigen, namelijk ten Cate, herinnerde zich dat Grijzen een moedervlek op zijn rechterzijde had.
In het bijzijn van de getuigen liet Grijzen inderdaad zien dat hij daar een vlek had, het bewijs was hiermee geleverd.

Onmiddelijk haalde Grijzen zijn geld op, 400 gulden kontant en de rest als schuldbekentenis.
Kort daarna trok hij zelfs bij Hengstegoor in, zodat hij daar kost en inwoning had.
Langzamerhand kreeg hij zijn beloofde beloning binnen en toen hij nog 300 gulden tegoed had besloot hij Neede weer te verlaten.
Voorzien van alle papieren van goed gedrag wilde hij zich weer aanmelden bij de huzaren.
De 300 gulden moesten maar verdeeld worden over zijn broer en zussen en ook voor de armen in het dorp Neede.
In het voorjaar van 1824 vertrok Berend Grijzen weer uit Neede.

Juni 1824 had er een rechtszitting plaats voor het Hof van Assises in Gelderland.
In april van dat jaar was er een landloper aangehouden in Geesteren.
Deze landloper werd veroordeeld wegens valsheid in geschrifte en herhaling van misdaad.
Hij werd veroordeeld tot geseling, brandmerk en opsluiting in een tuchthuis voor zes jaar.
Zijn naam was Theodorus Wilhelmus Jansen, geboren 7 maart 1803 in Sluis in Vlaanderen.

Op de dag dat hij in Neede aankwam was hij net vrij uit de gevangenis, waarin hij al drie keer gezeten had.
Door de rol van Grijzen te spelen had hij een lekker lui leventje gehad in Neede.
Maandenlang hield hij de inwoners van Neede voor de gek.
Van de echte Berend Grijzen werd nooit meer wat vernomen.

Bron:Hendrik Odink-- Kroniek van de Gelderse Achterhoek.