Het water van de Berkel werd in vroegere tijden ook gebruikt om molens aan te drijven.
Van de duitse grens af gezien is er eerst de Mallemse molen.



Op de foto zie je de situatie zoals die aan het begin van de vorige eeuw bestond.

In het midden van de negentiende eeuw schrijft W.C.A.Staring over deze watermolen: De mallemse molen bestaat uit drie raderen,waarvan er twee tot een graanmolen behoren.
De schoepen hebben een doorsnede van 5 meter.
Het derde rad drijft een eek - en oliemolen aan en heeft een doorsnee van 5.60 meter.
De hoogte van de schutten was niet erg hoog, maar men kan door middel van verhogingstukken dit verbeteren.
Dit is ook nuttig voor de scheepvaart, want de Berkel is hier door zijn geringe diepte moeilijk te bevaren.

De korenmolen is er nu nog, de pel- en oliemolen werd in 1917 gesloopt.
Vroeger was de molen eeuwenlang eigendom van de Heerlijkheid Mallem, maar in 1895 nam het waterschap alles over.
In 1948 werd het nog bestaande gedeelte samen met het Muldershuis overgedaan aan de stichting de Mallemse molen.
De
molen werd prachtig gerestaureerd.












De tweede molen is de Nieuwe molen bij Olden Eibergen, dicht bij de Stokkersbrug.
Deze is helemaal verdwenen.

Reeds in 1188 is er al sprake van een watermolen bij Olden Eibergen.
De molen was tot de Franse tijd eigendom van de Heerlijkheid Borculo en kwam daarna in particuliere handen.
Op 12 februari 1812 werd deze molen verkocht aan de weduwe Beijns.

De Nieuwe molen bestond uit 2 raderen met een middellijn van 5 meter, waardoor een graan- olie- en pelmolen werden aangedreven.

In 1927 werd de molenaar van de Nieuwe molen in Oldeneibergen voor het kantongerecht te Groenlo gedaagd.
Hem werd ten laste gelegd dat hij het stuwpeil van 19.10 verhoogd had tot 19.42 mtr.

De molenaar deelde mede dat hij bij de andere hoogte niet kon malen.
Dit werd bevestigd door de getuige deskundige Ten Have uit Aalten.
Drie getuigen die hun gronden langs de Berkel hadden vertelden de rechter dat de molenaar hun altijd terwille was bij het trekken van de stuwen en dat ze meer last hadden van het waterschap, dan van de watermolen.

De Berkel was nogal verzand en het waterschap deed daar weinig aan.
Als V. (de molenaar) zich met het trekken der stuwen aan de voorschriften houdt, verzuipen we allemaal verklaarde een getuige.

De ambtenaar van het openbaar ministerie stelde dat het waterschap een kwalijke rol speelde, ze hadden de schijn gewekt dat de verdachte opzettelijk de peilschaal bij de stuw hoger had aangeslagen, en ook dat de aanliggenden veel last hadden van de waterstand.
Aan het O.M. was hier niets van gebleken.

De verdediging, mr Wildervanck de Blecourt, sloot zich hierbij aan en vermoedde dat het waterschap dit begonnen was om de molen voor een prikje te kunnen kopen.
De kantonrechter ontsloeg de molenaar van vervolging.
Het waterschap ging in hoger beroep.
Het waterschap werd inderdaad in 1928 eigenaar van deze molen.

In een krantenbericht van 26 maart 1932 lezen we echter nog:
Bij onderhandschen verkoop heeft de wed. W.J. Veltkamp den ouden, sedert enkele jaren niet meer in gebruik zijnde watermolen De Nieuwe Molen, gelegen aan de Berkel, verkocht aan den heer L.G. Smit te Eibergen.
Het ligt in zijn bedoeling, den molen in ouden stijl te doen restaureren en er daarna een theeschenkerij te vestigen.



Het muldershuis dat ook op de foto staat brandde in 1934 helemaal af.



Bij de derde Berkelverbetering in 1967 werden de laatste overblijfselen van de molen opgeruimd.











De derde molen staat in Borculo en is in prima staat.

Toen stadhouder Willem V wegens de inval van de Fransen uitweek naar Engeland werden zijn bezittingen door de Bataafse republiek verbeurd verklaard.
Een van zijn bezittingen was de Heerlijkheid Borculo.

De molen werd in 1812 door de staat verkocht.
Bij deze verkoop wordt gesproken van een korenmolen met drie en een oliemolen met twee draaiwerken.
Later werd er ook nog een cichoreifabriek naast de molens gebouwd, maar deze verhuist na enige tijd weer.

Volgens Staring zijn er in het midden van de negentiende eeuw nog vier raderen, met een doorsnee van 4,6 tot 5 meter.
Twee voor graanmolens en twee voor een olie- en pelmolen.

Eigenaar is dan een zekere Heukelman.
Deze had ook het onderhoud van enige sluizen in de omgeving.
Hiermee werd het water op peil gehouden.


Zo ziet de molen er net na de oorlog uit.


Waar nu het restaurant is ,was de korenmolen en aan de andere kant een oliemolen.
Het waterschap kocht in 1886 de oliemolen, om deze vervolgens weer over te doen aan de gemeente die inmiddels ook eigenaar van de korenmolen was geworden.

De molen is nu regelmatig draaiend te bewonderen.












De eerste keer dat er iets op papier staat over deze watermolen is in 1295, als Gerard, de scholte van Lochem, een rekening indient bij de graaf van Gelre.
Hij krijgt voor het maalvaardig maken van de watermolen 3 pond.

Verder bestaat er een kaart uit het midden van de zestiende eeuw waarop de molens aan beide zijden van de Berkel te zien zijn.
Bij de grote brand van 1615 werd het gehele archief vernietigd.

De molen van Lochem had drie raderen,twee ervan voor de graanmolens en een iets kleinere voor de olie- en pelmolen.



De stad Lochem was de eigenaresse van de molen en zorgde voor de verpachting.
Hiervoor waren genoeg gegadigden te vinden, door te bieden kon men molenaar worden

Soms hield het stadsbestuur de molen aan zich en kwamen de mulders in dienst van de gemeente.
Van 1678 tot 1681 was zelfs de burgemeester de pachter!
Ook hier golden regels om het water op peil te houden.

In 1764 is er nog een verzoek van het Lochemse schoenmakersgilde om in de oliemolen een run- of eekmolen te bouwen.
Uit hun brieven aan het stadsbestuur blijkt dat de molen dan redelijk in verval is, want er wordt een bestek bijgevoegd voor de nodige aanpassingen en reparaties.

Op een foto uit 1870 is de oliemolen nog te zien, maar op een foto uit 1894 is hij al verdwenen.
In mei van dat jaar draaide de stadskorenmolen van Lochem voor het laatst en werd vervolgens gesloopt.



Bron:
Waterschap.
Koninklijke bibliotheek.