In 1816 werden er nieuwe wetten aangenomen voor het grensverkeer.
Hierin werd een bepaald terrein aangewezen waar de sluikhandel tegen gegaan moest worden.
Langs de gehele grens werd hiervoor een gebied van 5,5 km breedte aangeduid.
Men noemde dit het onvrije territoir.

In dit gebied was het vervoer en opslag van goederen aan strenge regels gebonden.
Bewoners van dit gebied, dat later nog uitgebreid werd, waren aan diverse formaliteiten gebonden.
Onder de oude wetgeving was er in Dinxperlo slechts één commies gestationeerd, maar nu werden er de zogenaamde grensjagers geplaatst.

Dit corps, opgericht in 1814, bestond uit 300 man.
Het bestond uit gepensioneerde en afgekeurde militairen die gewend waren bevelen klakkeloos op te volgen.
Hun salaris was afhankelijk van het aantal acties dat ze ondernomen hadden.
Deze overijverige en starre ambtenaren botsten vaak met de plaatselijke bevolking.

Op 18 november 1818 hielden twee commiezen Fredrik Oostendorp aan.
Deze kwam met paard en wagen uit de Heurne en had daar boekweit, aardappelen en wat beddestro gehaald.
Dit was bedoeld als geschenk voor de pastoor aan de Heelweg en bij boeren verzameld.
Dit was een oud gebruik en Oostendorp had vooraf toestemming gevraagd om de goederen over de grens te brengen.
Er was hem verteld dat er geen geleidebiljet nodig was en omdat men vooraf niet wist hoeveel er opgehaald zou worden, zou hij later bij de Ontvanger langskomen.
De beide commiezen hielden hem aan en antwoordden hem; "dat raakt ons niet bliksemse boer, gij moet mede naar Aalten."

Onder bedreiging hem dood te schieten bonden de twee hun paard achter de kar van Oostendorp en gingen ze richting Aalten.
Ze sloegen hem en ook zijn paard en in volle draf ging het verder, bij de grens met Aalten viel het paard door uitputting dood neer.
Toen nog sloegen ze het paard met hun sabel en ze dwongen Oostendorp het tuig van zijn dode paard af te nemen en één van hun paarden voor de wagen te spannen.
Dit lukte niet omdat ze doorgingen met het neersabelen van Oostendorp.

Oostendorp vertelde dit aan de burgemeester van Dinxperlo en er werd proces verbaal opgemaakt tegen de beide commiezen.
Nog terwijl de burgemeester het bovenstaande gebeuren aan het noteren was, kwam de weduwe Gebbink, een arme vrouw met zes kinderen haar beklag doen.

Ze had één van haar kinderen naar de molen gestuurd om een beetje boekweitmeel te halen, de twee overijverige commiezen hadden het kind dit afgenomen en het kind was "onsteld en beschreid" thuisgekomen.

koeien Ook klaagt P. Schurink dat "die comisen gisteren achtermiddag in vollen galop tegen elkander, achter hunnen koebeesten, welke uit de weiden kwamen, hebben gejaagd."
Uit dit soort verhalen blijkt wel de de grensbewakers in Dinxperlo toendertijd ware dienstkloppers waren, die gewoonweg blindelings hun bevelen uitvoerden.


Bron:Grensland museum Dinxperlo.