De Homoetse molen.

De Homoetse molen in Doetinchem. In 1230 verlegt graaf Otto van Gelre de jaarmarkt van Doesburg naar Doetinchem.
Als dank daarvoor ontvangt hij de watermolen aan de Oude IJssel, de Hap of Haep genoemd.
Als huur ontving hij 5 Utrechtse ponden.
Dit is de eerste vermelding van een molen in Doetinchem.

Waarschijnlijk was het een onderslag molen.
De naam "Hap" komen we nu nog tegen als "de Hoop", een woonwijk bij de Wijnbergseweg.
De watermolen werd later vervangen door een windmolen, de naam was toen al veranderd in Homoetse molen, naar Hendrik van Homoet die ermee was beleend.
Dit was in het begin van de vijftiende eeuw.

Vanaf 1486 was de molen en de hof bezit van de graven van den Berge.
In 1532 wil men "die mollen peerden" verkopen, misschien was er toen ook een rosmolen.
In dat jaar wordt de molen flink opgeknapt, want: meyster Derck tijmmerman moest naeder haip omme die waetermolle weder ganckhafftich tmaicken want die mueren dair ingestort ind ingevallen waeren.

Op een kaart uit 1560, gemaakt door Jacobus van Deventer, is de molen getekend als een dubbele molen, terwijl er op een westelijke zijtak een enkele molen staat afgebeeld.
De molenkolk van deze enkele molen komt overeen met de huidige vijver in het Canadaplantsoen.
In de volksmond werd deze vroeger "paardekolk"genoemd.

Wanneer de molen verdwenen is weet men niet precies, op een kaart uit 1783 komt hij in ieder geval niet meer voor.
Toen in de twintiger jaren de Oude IJssel werd aangepast kwamen er nog paalresten te voorschijn, de molen lag oorspronkelijk aan de Doetinchemse kant van de rivier.
Op deze plek staan thans de bedrijfsgebouwen van de Cebeco.

Net zomin bekend is wanneer de watermolen verdwenen is, weet men ook niet wanneer de windmolen op deze pek gebouwd is.
De Homoetsche molen was een achtkantige bovenkruier met een stelling op een stenen onderstuk.
De romp was gedekt met riet.
Hij leek dus wel op de huidige molen in Vragender.
Hij werd gebruikt als korenmolen en de laatst bekende molenaar heette Kleve.
De molen was al gesloopt vóór de aanpassingen aan de Oude IJssel.
In de historische atlas van Gelderland staat hij wel aangegeven.
Deze is verkend in 1880 en herzien in 1910.















De Stadswatermolen.

De Stadswatermolen van Doetinchem. Aan de uitmonding van de Slinge lag een watermolen, de latere stadswatermolen.
De Slinge stroomde vroeger door Doetinchem, kruiste de Kapoeniestraat en en kwam beneden de brug in de Oude IJssel.
Op een kaart van Slichtenhorst uit 1654 wordt deze molen aangegeven.

In 1518 klagen de kloosterlingen van het klooster Bethlehem dat de inwoners van Doetinchem de watertoevoer naar hun molen bemoeilijken.
Namelijk hadden die van Dottinchem etzlicke graften en dycken upgegraven om hun eigen molen te bevoordelen.

Veel is er overgebleven over de reparaties en verbouw van deze molen.
In 1583 werd de molen geheel vernieuwd, ...die olde watermoele aff to brecken bestadet den 28 julij alss coop muller begonnen van de tymmerluijden van wegen der nieuwen watermoelen.....

In 1645 is het weer raak, gecoft voor 20 gl. paelholt ande watermolle.
En dat was niet alles, maar liefst 81 mandagen werden gedeclareerd.
Zo gaat het door, in 1649 68 mandagen, in 1654 zelfs 136!

In 1740 heeft Jan Averbeek zelfs de waeterm. opgebrooken en met kieselingen weer gefloert.
Dankzij dit vele onderhoud blijft de molen in bedrijf.

In de negentiende wordt het minder, in 1814 wordt er nog een nieuw rad ingezet, ds. Greven schrijft in 1829 nog dat " het water van de Slinge aldaar de stadswatermolen deed omgaan."
Maar in 1839 wordt de molen verkocht.
Een rapport uit 1857 meldt: De waterlozing van de Slinge, lopend door de stadsgrachten, is verstopt en veroorzaakt bovenstrooms overlast.
Op de bijbehorende tekening kun je zien dat de schoepen 90 cm breed waren, de diameter van de molen was vijf meter veertig.
De schuthoogte was 12,68 meter.

De stadsgrachten waren door achterstallig onderhoud dichtgegroeid en de watertoevoer van de molen was onvoldoende.
Doetinchem kreeg de verplichting de grachten en de Slinge weer op peil te brengen, maar dit gebeurde niet.
Rond 1860 werden de stadspoorten afgebroken en de grachten gedempt.
Na honderden jaren dienst te hebben gedaan werd de molen gesloopt.












De watermolen bij het klooster Bethlehem.

De watermolen bij het klooster Bethlehem. Aan het eind van de twaalfde eeuw werd een stuk grond in eeuwigdurend gebruik gegeven aan de armen die Christus, God en de Heilige Maagd Maria dienden.
Het werd omgracht en in 1181 werd er een kerk gebouwd.
Zo begon het klooster Bethlehem.

In 1231 wordt er al gesproken over een vallum molendinare, een molendal.
Waarschijnlijk was er dus toen al een molen, maar in 1285 is het zeker.
Dan wil men de weg die iuxta molendinum in Bethlehem, langs de molen in Bethlehem liep afsluiten om landlopers te weren.

In 1518 klagen de kloosterlingen dat de inwoners van Doetinchem het moeilijk maken om met de watermolen te werken.
De Doetinchemmers hadden namelijk een aantal dammen en sloten gemaakt om meer water op hun eigen molen te verkrijgen.
Het kwam voor de rechter, deze verklaarde dat de kloosterlingen in hun recht stonden.

De heren van Wisch maakten de aanpassingen van de Doetinchemmers weer ongedaan en ze kregen recht op oeren vryen watergenck herkommende van Stadtloen.

Met het voortschrijden van de reformatie ging het klooster steeds verder achteruit, in 1582 was de molen buiten gebruik.
In dat jaar werd de molensteen van kloostermolen namelijk naar de stadsmolen gebracht.
Twee jaar later sneed Doetinchem de gehele watertoevoer naar het klooster af, maar toen daardoor de landerijen bij Slangenburg regelmatig onderliepen, werd dit weer ongedaan gemaakt.
De kloostermolen was een korenmolen, maar er is ook een vermelding dat er een oliemolen was.

Komend vanaf café Onland kom je direct over een klein stroompje, dit was vroeger de Bielheimerbeek.
De molen was stroomafwaarts aan deze beek, dus rechts van je.
Het klooster zelf was iets verder, het eerste pad links, helaas nu verboden toegang.
Vanaf de weg kun je nog de laagte zien wat vroeger waarschijnlijk de gracht om het klooster was.
De verlegde Bielheimerbeek stroomt nu een paar honderd meter verder.







De ijzermolen aan de Bielheimerbeek.

De ijzermolen aan de Bielheimerbeek. In 1689 komt Josias Olmius, koopman te Rotterdam met het verzoek een watermolen te mogen exploiteren aan de Bielheimerbeek.
Hij is van plan een ijzergieterij te beginnen, de molen zal dan de blaasbalgen voor de ovens moeten aandrijven.
Hij mag oer delven, maar moet er voor zorgen dat eventuele gaten enz. weer fatsoenlijk dichtgemaakt woren.

Hij mag een waeter molle leggen op die Belhemer Beecke, oock daeromtrent soodaenige logementen te bouwen als daer toe van nooden en sijn Edl. dienstich sullen sijn.
Er werd duidelijk op gewezen dat de watertoevoer naar de molen in Doetinchem niet gehinderd mocht worden.
Ook mocht hij niet te hoog stuwen in verband met het onderlopen van landerijen stroomopwaarts.
Op 27 september krijgt hij de toestemming.

Binnen twee jaar waren er al moeilijkheden, de heer van Baer tot den Slangenburg klaagde over het onderlopen van zijn grond.
Ook over het graven van oer was hij ontevreden, volgens hem maakten de oerdelvers er een puinhoop van.
De stuwhoogte werd later aangepast, voor het aandrijven van de blaasbalgen was ook niet echt veel vermogen nodig.
Intussen betaalde Olmius geen pacht voor de molen, de moeilijkheden hierover werden pas ná zijn dood in 1715 opgelost met zijn erfgenamen.

Dan draait de ijzermolen ook goed, er worden bommen, kogels, maar ook huishoudelijke ijzerwaren gegoten.
In het midden van de achttiende eeuw wordt er een tekening gemaakt waarop de molen duidelijk wordt aangegeven.
In 1781 wordt er een nieuw kontrakt opgesteld, die het wel moeilijk maakt om het bedrijf rendabel te houden.
Toen dit kontrakt in 1794 afliep huurden de toenmalige pachters, Jansen en De Haas het recht op een strang van de Oude IJssel om daar een nieuwe fabriek te stichten.
De molen aan de Bielheimerbeek bleef als nevenbedrijf draaien.
In 1809 liep het laatste kontrakt af, in dat jaar draaide de molen voor het laatst.

Op de tekening zie je de watermolen als een L-vormig gebouw staan en twee bijgebouwen.
Die zullen misschien voor opslag bedoeld zijn.
De tekening is gemaakt in 1752, toen de molen op volle toeren liep.

Toen begin zeventiger jaren de Rekhemseweg en de Kerkstraat verbeterd werden en er een fietsenpad aangelegd werd, kwamen er mooie bodemvondsten te voorschijn.
Behalve houtskool en slakken werden er ook gietmallen gevonden.
Enige van deze mallen, die voor het maken van kogels gebruikt werden, liggen nu bij de brug over de oude loop van de Bielheimerbeek.







De watermolen van Veldink in Gaanderen.

De watermolen van Veldink in Gaanderen. Na het verdwijnen van de ijzermolen van Olmius bleef het stuwrecht in handen van de stad Doetinchem.
Bij het bezoek van Staring in 1844 is er geen molen, slechts een brug en een stuw.
Dan wordt door Horstingh een jaar later een nieuwe molen gebouwd.

Blijkbaar niet al te stevig, want in 1890 stortte het hele geval in de beek.
Ook de reparaties laten te wensen over, want in 1903 meldt men: Mijn weg voerde mij over twee oude bruggen, reeds tevoren betreden, en verder langs de Bielheimerbeek, waarin voor eenigen tijd aan den zuid-westhoek een nieuw drijfwiel voor den molen is aangebracht; het oude waterrad hangt in deerniswaardigen toestand boven de beek in gezelschap van eenig oud muurwerk.

Eigenaar was toen Oldenboom, die in 1910 de molen overdeed aan Christoffel Veldink.
Zijn zoon en opvolger Willem zette het molenbedrijf voort, maar gebruikte daar niet lang de wateraandrijving voor.
In 1918 werd het waterad en de rechten verkocht.
In een gids voor Doetinchem en Omgeving uit 1933 wordt de molen nog afgebeeld, maar de foto moet ouder zijn, het waterrad staat er nog op.
In het logo van de firma Veldink bleef altijd een waterrad afgebeeld.

De maalderij van Veldink staat er nog, maar er wordt niet meer gemalen.
De Bielheimerbeek loopt nu niet meer langs de maalderij, deze is begin zeventiger jaren verlegd.
Enige jaren geleden stuitte men nog op de resten van deze molen.

Uit de Gelderlander van 1 augustus 2006:
Bij graafwerkzaamheden in zijn tuin trof Koen Dieker uit Gaanderen onlangs de restanten van een oude watermolen aan.
Een speurtocht in de archieven legde de historie van het omliggende gebied bloot.

Toen Koen Dieker eind jaren tachtig een huis aan de Kerkstraat tussen Gaanderen en Doetinchem kocht, wist hij dat er in de buurt ooit een watermolen had gestaan.
Hij had zijn huis immers gekocht van molenaar Veldink, die tot dan toe een maalderij dreef aan de Kerkstraat.

Toch was de verrassing groot toen Dieker enkele weken geleden op de fundering van de watermolen stuitte toen hij een gat voor een vijver in zijn voortuin aan het graven was.
Molenbouwer Andre Nibbelink en Toon Maas van de oudheidkundige vereniging Gander doken op zijn verzoek in de archieven en reconstrueerden de geschiedenis van de watermolen.

Wie de fundamenten in de voortuin van Dieker in ogenschouw neemt, kan zich maar moeilijk voorstellen dat het om een watermolen gaat.
Want waar is het water? „De Bielheimerbeek is tegenwoordig voor een deel gekanaliseerd.
Vroeger liep hij hier langs“, zegt Dieker.
Andre Nibbelink wijst op de hoop stenen.
„Als je goed kijkt zie je dat de fundering enigszins scheef staat.
Alleen daaraan kun je al afleiden waar het water was.
Watermolens hebben de neiging om in de loop der jaren flink te verzakken, naar de kant waar het water is, want daar is de grond wat moerassiger.“

Volgens Toon Maas dateert de watermolen uit 1851, en was het koning Willem III die hoogstpersoonlijk een vergunning voor de bouw van de molen verleende.
In 1919 verdween het molenrad omdat de toenmalige molenaar Veldink overstapte op een elektrisch aangedreven maalderij.
De historie van de plek gaat echter nog veel verder terug, gebaart Maas over de velden.
„Het klooster Betlehem stond hier maar een paar honderd meter vandaan.
Dat klooster werd al in 1180 gesticht en vervulde een grote rol in het gebied, en bekend is ook dat het klooster al in 1231 een watermolen in bedrijf had aan de Bielheimerbeek.“
Voorzichtig worden nu, in het kader van de landgoedontwikkeling in het gebied, de plannen nieuw leven ingeblazen om een nieuwe watermolen te bouwen, vertelt Ben Koenders, die jaren geleden al met een dergelijk initiatief bezig was.
De stichting gaat daarvoor weer op zoek naar sponsors.
In de tuin van Dieker zal hij echter niet verrijzen.
Daar liggen de fundamenten ondertussen verborgen onder een vijver.















De Walmolen.

De Walmolen in Doetinchem. De Walmolen, of de molen van Becking, was vóór 1850 een standerdmolen, zoals de meeste molens in die tijd.
Op een kaart van Slichtenhorst uit 1654 komt de molen al voor.
In het jaar 1850 brak er een brand uit die de molen volledig verwoestte.
Hij werd herbouwd als een stenen stellingmolen, een bovenkruier.
De vlucht van de wieken werd 23 meter.

Tot en met 1908 bleef de molen zijn werk doen, twee jaar later werden de wieken erafgehaald en kreeg de molen het uiterlijk dat veel Doetinchemmers zich nog wel kunnen voorstellen.
Langzamerhand verslechterde de romp en in 1961 was men van plan de resten van de molen te slopen.
Maar gelukkig ging dit niet door, vele mensen zetten zich in om de molen te behouden en dit lukte.
De molen werd in 1965 helemaal gerestaureerd.
De kap ziet er nu wel anders uit dan de kap van de molen vóór 1910.
De vroegere kap was kleiner, anders van vorm en niet met riet bedekt.

Hoewel de inrichting van de molen kompleet is, wordt er niet mee gemalen.
In de molen is het VVV kantoor gevestigd.
Onderhoud blijft natuurlijk nodig, in 1992 werd het binnenwerk nog hersteld.

Eigenaren waren: H. van Eyck (1851-1862), J.A. Becking (1862-1886), H. Roelofs-wed. J.A. Becking (1886-1891), A.H. Becking (1891-1899), A.H. Becking en gemeente Doetinchem (1899-1958), Gemeente Doetinchem (1958 tot heden).















De Benninkmolen in IJzevoorde.

De Benninkmolen in IJzevoorde. In IJzevoorde, aan de Varsseveldseweg, stond vroeger de Velsmolen.
Het was een grondzeiler die in 1856 door B. Vels hier neergezet werd.
Rond 1920 werd de molen bij een brand verwoest.
De in Zelhem staande ‘Buursinkmolen’ werd aangekocht en overgebracht naar Doetinchem, waar hij op een stenen voetstuk werd geplaatst.
Hiermee had men een heel stuk aan hoogte gewonnen!

Erg lang werd er niet gemalen, de molen raakte in onbruik en eind zeventiger jaren was de molen weer hard aan een restauratie toe.
Het was zelfs zo erg dat de molen gebruikt werd bij oefeningen van de brandweer.
Je kunt je een beetje voorstellen hoe de molen er toen uitzag.

De gemeente Doetinchem was intussen eigenaar van de molen geworden.
In 1980 was de molen weer in orde en kon weer ingebruik genomen worden.
De naam werd toen officieel veranderd in Benninkmolen, omdat deze familie intussen zo met de molen verbonden was, dat de molen in de volksmond allang Benninkmolen heettte.
De roeden voor deze molen waren de laatsten die de bekende molenbouwer Beckers uit Bredevoort voor zijn dood maakte.

Eigenaren van deze molen waren: J.F. Bennink (1921-1949), H.W. Molenkamp en wed. J.F.Bennink (1949-1955), F.H. Bennink (1955-1976), Gemeente Doetinchem (1976-heden).















De Aurora in Dichteren.

De Aurora in Dichteren. In Dichteren staat de Aurora, een stenen grondzeiler.
In het najaar van 1978 werd deze molen weer in gebruik genomen.
De molenaar was Harbers, de zoon van de vorige eigenaar.

De Aurora werd in 1871 hier geplaatst, hiervoor werd materiaal gebruikt van de Holtkampse molen die in dat jaar gesloopt werd.
Deze molen was door begroeing zodanig gehinderd dat hij verdwijnen moest van zijn oorspronkelijke plaats.
Het was een houten standermolen, in Dichteren werd het een stenen exemplaar.
In de molen zijn nog verscheidene balken van zijn voorganger te herkennen.
Men plaatste de molen op de driesprong Doetinchem, Kilder en Wehl.

In 1954 werd de molen opgeknapt, sinds de restauratie in 1978 wordt de molen weer gebruikt voor het malen van graan voor veevoer.

Eigenaren waren: A. Harbers en C. Helmes-(wed. A. Harbers) 1807 tot 1906 , W. Harbers (1906-1944), A. Harbers (1944-1978), gemeente Doetinchem (1978 tot heden).















De Holtkampse molen.

De molen op de Houtkamp in Doetinchem. De Holtkampse molen stond op de splitsing van de Houtkampstraat en de Dr. Huber Noodstraat.
Het vroegere molenaarshuis is thans café Ketz.

Reeds in 1459 wordt er over deze molen gesproken en in 1468 heeft men het over een windmolen aan de wetering, hier wordt waarschijnlijk de Slinge mee bedoeld.
In 1612 werd de molen vernield door blikseminslag.
De molen wordt weer gerepareerd, want enige jaren later geeft men aan dat er een twaalfjarige jongen is verongelukt in de molen.

In november 1800 teistert een hevige storm Doetinchem en omgeving.
De molenaar gaat 's avonds naar de molen om deze voor schade te behoeden.
Hij krijgt daarbij hulp van twee mensen die geen molenaar zijn, en dus onervaren zijn.

Wanneer ze bij de molen zijn waait deze om.
De molenaar die weet hoe de molen zal vallen rent tegen de wind in en ontspringt de dans.
De beide anderen lopen met de wind mee, van de molen af, maar ze worden verpletterd onder de instortende molen.
De molenknecht die in de molen is, blijft gespaard.
Hij moet wel uitgezaagd worden, maar zijn verwondingen vallen mee.

Als opvolger werd er een nieuwe standerdmolen gebouwd, de Aurora genaamd.
Zeventig jaar later waren de bomen in de omgeving dusdanig hoog geworden dat de molen niet meer goed kon draaien.
De molen werd afgebroken, vele onderdelen werden gebruikt voor een nieuw te bouwen molen in Dichteren.
De naam Aurora ging ook naar de nieuwe molen.

Op de foto zie je de situatie in de Houtkampstraat rond de eeuwwisseling.
Toen deze foto gemaakt werd, was de molen al dertig jaar verdwenen.















De molen van Coops.

De molen van Coops in Doetinchem. Tussen de Ds. van Dijkweg en de IJkenbergerweg stond de molen van Coops.
Dit was een achtkantige bovenkruier met een stelling, op een stenen onderstuk.
Het tussenstuk was van hout en de molen was met riet gedekt.
Rond 1915 werd deze molen afgebroken.

Veel is er niet meer bekend over deze molen.
Een oudere inwoner van Doetinchem kan zich midden zeventiger jaren wel herinneren dat er zich rond de eeuwwisseling een ongeluk heeft voorgedaan op deze molen.
Een tienjarige jongen waagde zich te dicht bij de wieken en werd dodelijk getroffen.

In maart 2011 schrijft de Gelderlander:

DOETINCHEM - Bramen en frambozen groeien door het ijzeren hekwerk tot op de stoep. Klimplanten worden niet gesnoeid en groeien tegen de gevels: het vroegere terrein van een molenaarsfamilie is nu een groene oase voor vogels in een stadse wijk.

"De T-boerderij is een gemeentelijk monument en mag niet worden gesloopt", meldt makelaar John Bakker. Aan hem de opdracht het pand te verkopen.

De gevelsteen aan de achterkant, boven de staldeuren, verraadt het bouwjaar; 1852. Het is niet het oudste pand van Doetinchem, maar in het centrum is weinig tot niets meer van die tijd te vinden, meldt de gemeente Doetinchem. Zeldzaam, zo is het pand door de monumentcommissie gekwalificeerd.

Het pand hoorde bij een windkorenmolen, 'de Molen van Coops'. Die molen werd in 1915 afgebroken, waarna de familie het bedrijf voortzette met een moderne maalderij, waarbij graanschuren waren gebouwd die via een aftakking van een tramspoor bereikbaar waren. Vlak na de oorlog werd het graanpakhuis afgebroken en bleef enkel het huidige woonhuis over.















De molen van Sagleven.

De molen van Sagleven in Doetinchem.
Tot lof van God alleen.
Tot nut van iedereen.
Tot voordeel van ons beiden:
was het dat wij gerust
en van geen kwaad bewust
de eersten steen hier leiden.

Dit staat te lezen op de gedenkplaat die bij de eerste steenlegging van de Molen van Sagleven in gemetseld werd.
Deze molen stond aan de Terborgseweg, op de plek waar nu de parkeerplaats naast de Rabobank is.

Het was een achtkantige stellingmolen, een bovenkruier.
In 1918 kwam er een eind aan deze molen.
Door blikseminslag verbrandde de molen en twee jaar later werden de resten opgeruimd.
De maalderij werd voortgezet door de coöperatie De Oude IJsselstreek.















De windmolen in Gaanderen.

De windmolen in Gaanderen. In Gaanderen heeft behalve de watermolens ook nog een windmolen gestaan.
Deze stond noordwestelijk van de Martinuskerk, dichtbij de spoorbaan.
Op dit punt komen nu Watertapweg, Hogeweg en Binnenweg bij elkaar.
Het was een grondzeiler die op een natuurlijke verhoging stond.

Oorspronkelijk kwam deze molen uit Arnhem.
In 1875 de molen verkocht aan Willem Mekking, een timmerman, die de molen doorverkocht aan molenaar Colenbrander uit Gaanderen voor het bedrag van duizend gulden.
Het slopen werd gedaan door molenmaker Kreeftenberg uit Varsseveld, die hiervoor fl. 141,45 in rekening bracht.

Deze molen was later eigendom van Veldink, die ook met de watermolen draaide.
Dat was erg praktisch, bij windstilte kon er met de watermolen gewerkt worden.
De beide molens waren met een pad verbonden.
Omstreeks 1900 brandde de windmolen af en werd niet meer herbouwd.
Acht jaar later werd de watermolen ook niet meer gebruikt.

Het kaartje is uit de historische atlas van Gelderland.
Links bovenin zie je de molen staan, deze is als KM (korenmolen) aangegeven.















De zaagmolen aan de Oude IJssel.

Een paltrokmolen. Aan de Oude IJssel, tussen de IJsselstraat en de Nemaho stond vroeger een zaagmolen.
Dit was een zogenaamde paltrokmolen.
Een paltrokmolen is eigenlijk een soort doorontwikkeling van de ouderwetse standerdmolen.
Bij de standerdmolen draait de hele molen om de standaard, bij de paltrok is dit anders.
De paltrok draait met de koningstijl over de koning.
Een ringmuur met kruirollen zorgt dat de molen goed stabiel blijft.
Het grootste gewicht van de molen rust op de koningsbalk zodat de rollen vrij bewegen kunnen.

Omstreeks 1595 werd aan Franck Jansz octrooi verleend voor een houtzagende standerdmolen met uitbouw van het molenhuis op wielen die met het kruien van de molen meedraait.

Door het Zaagmolenpad en de Houtmolenstraat blijft de herinnering aan deze molen.
Vroeger was er nog een buurt die in de volksmond Zagemöll werd genoemd.

In 1832 wordt de molen nog genoemd: eene aan de rivier den Ouden IJssel gelegen zaagmolen zijnde een paltrok, hebbende twee sleeden benevens twee ramen en een schulpraam mitsgaders eene loots.
Willem Struben, een koopman uit Doetinchem was de toenmalige eigenaar.
Wanneer deze molen gebouwd en afgebroken is, is niet bekend.

Op de tekening zie je een willekeurige paltrokmolen, het is dus niet de molen die in Doetinchem stond.















De molen van Kemper.

De molen van Kemper in IJzevoorde. Aan de Turfweg in IJzevoorde stond de molen van Kemper.
Het was een ronde stenen bovenkruier, een stellingmolen.

De molen werd in 1893 gebouwd door molenmaker Kreeftenberg uit Varsseveld.
De eerste eigenaar was Oldenboom.

Zoals je op de foto ziet had deze molen een vrij lage stelling.
In 1925 werden de wieken van deze molen verwijderd.
Vervolgens werd de molen afgebroken.
De laatste eigenaar was Kemper.



Bron: Kronyck, Historische Ver. Doetinchem Zelhem en Gaanderen.
Hagens: Molens,Mulders, Meesters .
Internet:Database verdwenen molens.
Kijk op oud en nieuw Doetinchem.
van Dorsten:Langs Achterhoekse molens.
Diverse gesprekken onderweg.