De molen in Hupsel.

De molen op de Hupselse es. Derk Maatman die uit Vorden kwam, verhuisde samen met zijn vrouw Anne naar Eibergen, om een molen te beginnen.
Een erg geschikte plek was op de Hupselse es, de molen stond er vrij en hoog.
In het bijbehorende molenaarshuis werd ook brood gebakken, daar zwaaide Anne de scepter, Derk was de molenaar.
Later werd de winkel uitgebreid met koloniale waren.
Mensen die zondags na de kerk naar huis terugliepen konden daar dan ook hun benodigheden meenemen.

Samen kregen ze drie kinderen, de oudste trouwde met Meulenkamp en verhuisde naar Holterhoek.
Zoon Anton stond bekend als " vöggeltjes Moatman " , omdat hij in het bezit was van enige volieres met vogels.
Jongste zoon Bertus huwde Dina Horstman, zij namen de molen en het huis over van Derk en Anne.

Rond 1926 slaat het noodlot toe, als Bertus terugkomt uit Eibergen waar hij meel heeft weggebracht ziet hij al uit de verte rook uit de molen komen.
De molen is door de stevige wind die er dan staat warm gelopen en is niet meer af te remmen.
Boven brandt de molen al, maar Bertus probeert in het stenen gedeelte nog zoveel mogelijk van de opslag te reddden.
De molen brandt af, maar de stenen romp blijft staan.

Bertus Maatman, bijgenaamd Bertus van de Mölle stond bekend als een bijzonde eerlijke molenaar, je hoefde bij hem nooit bang te zijn minder meel terug te krijgen dan er graan gebracht was.
Rijk werden Bertus en Dina dan ook niet van de molen, want in Eibergen zei men:

Bertus van de Mölle,
verdeent neet völle.
Moar Hanne met fluiten,
verdeent de duiten.

Of hier met Hanne, zijn vrouw Dina bedoelt wordt is mij niet duidelijk.
Of hielp zijn moeder (H)anne toen in de winkel?

De molen werd niet meer opgebouwd, maar verkocht aan Boink uit Winterswijk.
Gemalen werd er nog met een zuigasmotor, maar erg lang duurde dit niet.
Een paar jaar later werd de produktie gestopt en rond 1930 werd de molen gesloopt.
Derk, de eerste molenaar kocht alles weer terug en ging vervolgens weer op de oude plek wonen.
Boink verhuisde naar de Groenloseweg.

Volgend jaar, in 2010 komt er een boekje uit, over Hupsel.
Daarin staan waarschijnlijk meer gegevens over deze verdwenen molen.
















De molen van Prins.



De molen van Prins stond dichtbij de spoorbaan, aan de Parallelweg.
De eigenaar was Prins, die ook een café bezat.
Op de bovenstaande foto's zie je dat het een stenen beltmolen was.

Toen de ABTB de molen overnam was het gedaan met de molen van Prins.
Enige tijd werd de molen nog als opslagruimte gebruikt, maar waarschijnlijk al vóór 1930 was alles verdwenen.

Het bijbehorende café hield het langer vol.
Door zijn ligging bij de molen was het een echt boerencafé geworden, waar je ook nog wel zaken kon doen.
Er hoorde ook nog een stalling bij voor de paarden.
Het café dat later van van Gelderen was, werd ongeveer tien jaar geleden ook gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw.
Niets herinnert meer aan de vroegere molen van Prins.

De molen van Prins in Eibergen. Op de foto die hier naast staat, zie je de molen schuin tegenover het station staan.
De trein is bezig met het innemen van water voor de stoomketel.
Het kaartje is in 1907 verstuurd, dus de foto is zeker ouder, zo te zien is de molen in bedrijf.
Hij is helemaal kompleet met wieken.

Een 95 jarige inwoonster van Eibergen weet zich nog te herinneren dat ze er samen met haar nichtje speelde.
Molenaar Prins was een oom van haar.
Dit moet dan waarschijnlijk rond 1925 geweest zijn, de molen had toen geen wieken meer.
















De molen Vaarwerk.

Het Hanninkgat, waar vroeger de molen van Vaarwerk stond.. In de goederenlijst van de graaf van Dahl, de heer van Diepenheim komt de eerste vermelding dat er een molen gestaan heeft aan de Berkel.
De lijst stamt uit het jaar 1188.
In deze lijst wordt er gesproken over een ....molendino Vorewerch apud Ecberghe usque Westervlee....
Dit gaat over het recht van zwanendrift, vanaf de molen Vaarwerk tot aan Westervlier.
De molen zelf behoorde bij het stift Vreden.

In verdere dokumenten wordt de molen niet meer genoemd. maar in 1627 wordt er vermeld dat door de vele oorlogen van Vaarwerk niet veel meer over was.
De molen zal toen al wel verdwenen zijn.

De molenkolk bleef echter wel lang zichtbaar, deze lag tussen de Berkel en de weg naar Eibergen, aan de kant van Eibergen.
Deze stond lang bekend als het Hanninkgat.
Door de gemeente werd het gat gedempt met huisvuil en afgedekt.
De natuur kon zijn gang gaan en de voormalige vuilstort werd weer begroeid.
Het ziet er nu meer uit als een bult dan als een gat.
















De watermolen in Hupsel.

Watermolen. Waar vroeger de trein van Winterswijk via Groenlo en Eibergen naar Neede ging, is nu gedeeltelijk een fietsenpad aangelegd.
Noordelijk van Groenlo kruist deze route de Hupselse beek.
Deze beek was eeuwen geleden waarschijnlijk breder, want er gaan nog verhalen rond dat legers van Frederik Hendrik of van Berend van Galen, door deze stroom nog opgehouden werden in hun veroveringsdrang.

Op dit punt heeft ooit een watermolen gestaan, waarvan de molenkolk nog lang zichtbaar was.
Toen begin zeventiger jaren de beken aangepast werden, werden er nog paalresten verwijderd.
Ook de naam Mölnkolk wordt nog steeds gebruikt, de overlevering verhaalt nog over deze allang verdwenen watermolen.
















De Mallemse molen.

De watermolen van Mallem. De eerste vermelding van deze molen is van 11 mei 1430, dan wordt de molle tho Mallenden door Otto van Bronkhorst verpacht aan zijn zwager van Schonueld.

In 1617 werd de familie Keppel tot Oeding de nieuwe eigenaar.
In 1685 is er nog een meningsverschil omdat er in Rekken ook nog een watermolen gebouwd zal worden.
Van Keppel claimt zijn recht op het gemaal in het kerspel Eibergen.
Hij is er bang voor dat deze molen het water op de Berkel zou ophouden, zodat hij erg belemmerd zou worden.
Door zijn tegenstanders wordt er echter op gewezen dat dit in zijn geval ook voor de stroomafwaarts liggende Nieuwe Molen zou gelden.
De Rekkense molen ligt volgens hun, zover weg, dat er van last nauwelijks sprake zal zijn.

In 1746 breekt er brand uit die een gedeelte van de molen vernield, twee jaar later is alles weer herbouwd.
In 1753 wordt het muldershuis bij de molen gebouwd, enige jaren darna sterft de laatse van Keppel kinderloos.
Jan Arnold Ludolf Mulert werd toen de nieuwe eigenaar.

In het midden van de negentiende eeuw schrijft W.C.A.Staring over deze watermolen: De mallemse molen bestaat uit drie raderen,waarvan er twee tot een graanmolen behoren.
De schoepen hebben een doorsnede van 5 el.
Het derde rad drijft een eek - en oliemolen aan en heeft een doorsnee van 5.60 el.
De hoogte van de schutten was niet erg hoog, maar men kan door middel van verhogingstukken dit verbeteren.
Dit is ook nuttig voor de scheepvaart, want de Berkel is hier door zijn geringe diepte moeilijk te bevaren.

De korenmolen is er nu nog, de pel- en oliemolen werd in 1917 gesloopt.
Vroeger was de molen eeuwenlang eigendom van de Heerlijkheid Mallem, maar in 1895 nam het waterschap alles over.
In 1948 werd het nog bestaande gedeelte samen met het Muldershuis overgedaan aan de stichting de Mallemse molen.
Hier vind je nog meer over deze molen.















De Nieuwe molen.

De Nieuwe molen bij Haarlo. De eerste vermelding over deze molen stamt al uit 1593, het wordt dan in de rekeningen van de Heerlijkheid Borculo vermeld.
Een jaar later is Jacobus Warnsing de pachter, in dat jaar worden er ook al grote reparaties gedaan, zodat we kunnen veronderstellen dat de molen er al langere tijd stond.
In 1630 wordt de molen zo goed als helemaal vernieuwd, misschien zelfs nog iets verplaatst.
De molen kende vele pachters, in 1660 de burgemeester van Eibergen, die ook geld moest geven voor een goet vet ende geeff molen varcken.

Toen in 1726 de Heerlijkheid Borculo werd verkocht, kreeg de molen dus ook een nieuwe eigenaar.
In 1777 werd Willem V van oranje de de nieuwe bezitter, toen deze in de Franse tijd in Engeland zat, kwam het onder de domeingoederen.
Op 12 februari 1812 werd deze molen verkocht aan de weduwe Beijns.

De Nieuwe molen bestond uit 2 raderen met een middellijn van 5 el, waardoor een graan- olie- en pelmolen werden aangedreven.

In 1927 werd de molenaar van de Nieuwe molen in Oldeneibergen voor het kantongerecht te Groenlo gedaagd.
Hem werd ten laste gelegd dat hij het stuwpeil van 19.10 verhoogd had tot 19.42 mtr.

De molenaar deelde mede dat hij bij de andere hoogte niet kon malen.
Dit werd bevestigd door de getuige deskundige Ten Have uit Aalten.
Drie getuigen die hun gronden langs de Berkel hadden vertelden de rechter dat de molenaar hun altijd terwille was bij het trekken van de stuwen en dat ze meer last hadden van het waterschap, dan van de watermolen.

De Berkel was nogal verzand en het waterschap deed daar weinig aan.
Als V. (de molenaar) zich met het trekken der stuwen aan de voorschriften houdt, verzuipen we allemaal verklaarde een getuige.

De ambtenaar van het openbaar ministerie stelde dat het waterschap een kwalijke rol speelde, ze hadden de schijn gewekt dat de verdachte opzettelijk de peilschaal bij de stuw hoger had aangeslagen, en ook dat de aanliggenden veel last hadden van de waterstand.
Aan het O.M. was hier niets van gebleken.

De verdediging, mr Wildervanck de Blecourt, sloot zich hierbij aan en vermoedde dat het waterschap dit begonnen was om de molen voor een prikje te kunnen kopen.
De kantonrechter ontsloeg de molenaar van vervolging.
Het waterschap ging in hoger beroep.
Het waterschap werd inderdaad in 1928 eigenaar van deze molen.

In een krantenbericht van 26 maart 1932 lezen we echter nog:
Bij onderhandschen verkoop heeft de wed. W.J. Veltkamp den ouden, sedert enkele jaren niet meer in gebruik zijnde watermolen De Nieuwe Molen, gelegen aan de Berkel, verkocht aan den heer L.G. Smit te Eibergen.
Het ligt in zijn bedoeling, den molen in ouden stijl te doen restaureren en er daarna een theeschenkerij te vestigen.

Het muldershuis dat ook op de foto staat brandde in 1934 helemaal af.



Bij de derde Berkelverbetering in 1967 werden de laatste overblijfselen van de molen opgeruimd.















De Piepermolen in Rekken.

De Piepermolen in Rekken. Tijdens de Bataafse republiek veranderde er veel aan de hier bestaande regels en ook het recht van molendwang werd afgeschaft.
Het was nu voor de gewone man ook mogelijk een molen te bouwen en te exploiteren.
Zo ook voor Johannes Stephanus van Hasz, geboren te 's-Heerenberg op 11 januari 1753.
Hij was zoon van de Ruurlose molenaar Hendrik van Hasz.

Zijn keuze om een windmolen in Rekken te bouwen houdt ongetwijfeld verband met het feit dat hij op 18 november 1784 met een vrouw uit Rekken trouwde.
Dit was A. Mellink, dochter van de commies "ter recherche" Willem Mellink.
In de molenwand is een gedenksteen gemetseld waarin de namen van de molenaar en zijn vrouw zijn vermeld.

In 1797 was bij de molen ook een muldershuis gerealiseerd op dezelfde plaats en in ongeveer dezelfde vorm als het huidige nieuwbouwpand dat zich ten noordoosten van de molen bevindt.
In 1824 besloot molenaar Van Hasz om onduidelijke redenen om de windmolen in Rekken te verlaten en verder te werken op de watermolen in Mallem.
Hij werd opgevolgd door Chr. F. Beins, die voordien watermolenaar was op de nieuwe molen in Olden Eibergen.

Het laatste geslacht dat de molen uiteindelijk expoiteerde was de familie Pieper.
Ernst H. Pieper was de eerste, hij kocht de molen in 1907 en werd de molenaar.
In 1940 waaide het wiekenkruis er tijdens een storm af.
Vanaf dat moment werd de molen niet meer gebruikt.

In 1965 droeg de zoon van Pieper, die toen eigenaar was, de resten van de molen over aan een stichting, genaamd "de Pieperstichting".
Pas in 1970 werd met de restauratie van de molen begonnen.
De as die daarbij gebruikt werd kwam van de kort daarvoor gesloopte molen van Beusink uit Lievelde.
H.F. Pieper overleed in 1970 en heeft niet meer mogen meemaken dat de molen werd gerestaureerd en opnieuw in bedrijf werd gezet door vrijwillige molenaars.

Achtereenvolgende eigenaren waren:
J.S. van Hasz (1796 - 1824) C.H.W. Schreuder (1824 - 1828) Chr.F. Beins (1828 - 1845) G.F.Th. Venderbosch (1845 - 1875) G. Gerritsen (1875 - 1907) E.H. Pieper (1907 - 1950) H.F. Pieper (1950 - 1965)















Watermolens in Rekken.

In de stat van Grol. In 1665 en later tussen 1685 en 1692 werden processen gevoerd tussen de Heer van de heerlijkheid Borculo en zijn leenman, de Heer van Mallum.
Otto, graaf van Limburg en Bronckhorst was in dat jaar namelijk begonnen met de bouw van een watermolen in de Berkel bij Rekken.
De heren van Mallum vreesden schade te zullen oplopen door de stroomopwaarts liggende Rekkense molen.
Er kwam een pandbrief aan te pas uit 1378, waarin stond dat de heren van Borculo
...ten allen tijden van hem mogen copen en inlossen den Hoff Poppinck met der Meulen en dat Lohuijs met allen oeren toebehooren als se gelegen sijn in der Buijrschap toe Reckum inden Karspel van Eijbergen...
Ze hadden dus het recht om weer een watermolen te laten draaien.
In leenregisters uit 1383 wordt ook inderdaad over een Wessel van der Molen uit Rekken gesproken.

In 1665 werd er heel wat materiaal gekocht voor de nieuwe molen.
Hout uit Haarlo, Oldeneibergen en van de schulte van Ratum.
Bijna 1500 gulden werd er uitgegeven aan materiaal en werkloon.
Er werden oudere Rekkenaren opgeroepen om te getuigen dat er al een molen gestaan had, maar deze wisten dat alleen van horen zeggen van hun voorouders.
De bouw van, en het proces over de molen werd onderbroken toen in 1665 de bisschop van Munster binnenviel om Borculo terug te krijgen.
De molen werd gesloopt door de Munstersen, het hout werd weggevoerd.

Twintig jaar later begint het gekrakeel opnieuw, ondanks een enorme hoeveelheid argumenten en getuigenissen wordt de nieuwe molen niet gebouwd.
Het voortdurende geldgebrek van de heerlijkheid zal hier misschien debet aan zijn geweest.

Met behulp van veldnamen en oude kaarten kan men het volgende aannemen:

1) De oudste molen, uit 1378 stond ongeveer één kilometer oostelijk van de tegenwoordige NH kerk.
Daar ligt een stuk weide met de naam "Molendal", daar is ook paalwerk in de bodem gevonden.

2) Westelijker ligt de "Borggoarn", genoemd naar het vroegere huis De Borg.
Uit getuigenverklaringen van oudere Rekkenaren in 1665 weten we dat rond 1600 daar een molen stond die een dach off twee was gemaelen, met gemeinde macht was ingeworpen end grondelijck gedemoliert.
Een zeer kort bestaan dus.

Op een kaart uit 1630 staat ook een "moelenvonder" aangegeven.
Op deze plek was de nieuwe molen waarschijnlijk geplend.

Waar vroeger de Berkel anders liep, raakte deze ook nog een bosperceeltje dat de naam "Möllenbuske" of Molenbosje kreeg.
Dit was vroeger bezit van de Rekkense diaconie.

Om één en ander iets duidelijker te maken heb ik de oudere situatie over een google maps kaart gelegd.
Hier is wel duidelijk te zien dat de loop van de Berkel meerdere keren veranderd is, de laatste keer nog in de zestiger jaren van de vorige eeuw.


Bron:Internet molendatabase
Stichting Eibergse Molens.
Hagens, Molens Mulders Meesters.
Henk Teragter.
Gesprekken onderweg.