Op Huize Harreveld woonde aan het eind van de achttiende eeuw Johanna, Magdalena, Catharina, Judith van Dordt tot Holthuyzen, beter bekend als de Freule van Dorth.
Ten tijde van de Bataafse republiek stond zij bekend als fel oranje gezind.

Op een avond in april 1795 was er een samenkomst van patriotten in een Lichtenvoordse herberg.
Besloten werd om een zogenaamde vrijheidsboom op te richten, "hetgeen ter opluistering kan strekken van het eerste echte Bataafse volksfeest in ons midden".
Helaas waren echter bijna alle bomen in de buurt eigendom van de freule die zeker geen toestemming zou geven om er een te kappen.

Op 29 april gingen Plooi, Pruis, en Plas, de hoefsmid uit Vragender, naar de freule om te vragen of ze een boom konden kappen.
Deze toestemming kregen ze natuurlijk niet en er werd besloten om dan maar een boom met geweld mee te nemen.
Op 2 mei vierde men met deze boom het vrijheidsfeest in Lichtenvoorde.



Enige tijd later werd er nabij Harreveld de schepen Plas door vermomde mannen aangehouden en fors mishandeld.
Hij werd bewusteloos geslagen en zodanig verwond dat hij de nacht daar buiten doorbracht.
Men vermoedde dat de freule hier de hand in had en ze werd voor het gerecht gedaagd.
Hoewel er geen bewijzen gevonden werden, werd zo toch maar opgesloten in de kerktoren van Lichtenvoorde en vervolgens naar de gevangenis van Zutphen gebracht, vanwaar ze ontsnapte.
Bij verstek werd ze veroordeeld tot een geldboete, die door haar broer werd voldaan, zodat ze weer terugkeren kon naar Harreveld.

Op 4 september 1799 rukte een minileger van 200 uitgeweken oranje aanhangers onder leiding van Spengler, Zevenaar uit, om de Achterhoek te bevrijden van de patriotten.
Omdat toendertijd Zevenaar nog Pruissich grondbezit was, deed het gerucht de ronde dat er een groot Pruissisch leger in aantocht was.
Vrijheidsbomen werden omver geworpen en men stak de oude vlag weer uit.

Ook de freule verwachtte ieder moment de bevrijders en ze liet de oranjevlag van de toren in Harreveld uitsteken.
Omdat ze meende dat de erfprins van oranje in Groenlo zou komen ging ze samen met haar broer Toon daarheen om hem te begroeten, maar de prins was er natuurlijk niet.
Op de terugreis hoorde ze in Lichtenvoorde dat er al een dode was gevallen, waarop ze zei dat er nog veel meer kapot moesten!

De hele opstand ging uit als een nachtkaars en de freule werd gearresteerd en ter dood veroordeeld.
Ze werd naar Winterswijk gebracht om daar op het jodenkerkhof doodgeschoten te worden.
Maak mijn doodstrijd kort, en laat dit een aansporing zijn om goed te mikken zei de freule tegen het executiepeleton.

Aan een van de soldaten geeft ze nog een zilveren snuifdoosje.
Nadat de schoten gevallen zijn, blijkt dat de freule nog leeft, ze heft haar hand op.
Nogmaals wordt er gevuurd, nu zo dichtbij dat haar kleren in brand vliegen.
Het half verkoolde lijk wordt hier meteen begraven, later wordt ze in de Hervormde kerk van Lichtenvoorde bijgezet.
Het was het enige politieke vonnis in de Bataafse periode in ons land.