In het begin van de twintigste eeuw werden er in de Zuid-oostelijke Achterhoek diverse boringen gedaan, om te weten te komen of er steenkool of zout in de bodem aanwezig was.(zie ook Geologie tour)

Naar aanleiding van de resultaten van deze verschillende boringen, werd onder de naam "Gelria" concessie aangevraagd voor de ontginning van steenkool, zout en aardolie in de gemeenten Winterswijk, Groenlo, Lichtenvoorde en Eibergen.
De aanvragers waren de N.V. Nederlandsche Maatschappij tot het Verrichten van Mijnbouwkundige werken te Haarlem, en de heren Hope & Co, bankiers te Amsterdam.

Het betrof een oppervlakte van ongeveer 12.000 hectare.
Dit gebeurde op 10 Juni 1926.

Er werden enige bezwaren ingediend tegen dit voornemen, onder andere door bierbrouwerij "De Klok", de voorloper van "Grolsch", en door de Koninklijke Nederlandsche Zoutindustrie te Boekelo.



Omdat de ontginbaarheid van steenkool en zout op voldoende wijze was aangetoond werd de concessie hiervoor verleend.
Dit gold echter niet voor de winning van aardolie.


Het zout zoals het naar boven kwam.

In het Koninklijk Besluit werd het gebied nauwkeurig omschreven.
Grondeigenaren in het gebied kregen recht op een jaarlijkse uitkering van 50 cent voor steenkool en 25 cent voor steenzout per hectare, of een uitkering ineens van respectievelijk fl 12,50 en fl 6,50 per hectare.
In totaal werd er fl 240.000 uitgekeerd, dit was een fors bedrag voor die tijd.

Na 30 jaar werd de betaling gestopt, de concessie bestaat echter nu nog steeds.
Volgens de de nog altijd bestaande Mijnbouwkundige Maatschappij is deze concessie voor onbepaalde tijd, en een toekomstige exploitatie wordt niet uitgesloten.



Behalve deze boortoren, stond er ook nog één iets noordelijk van hier aan de Ruiterweg.
Het is ook mogelijk dat de bovenstaande foto van deze boortoren is, ik hou me aanbevolen voor verbeteringen.