In het midden van de negentiende eeuw was een groot gedeelte van de Achterhoek nog bedekt met heide.
Heidevelden ontstonden toen onze voorouders duizenden jaren geleden ontdekten dat het houden van vee een stuk gemakkelijker was dan het jagen op dieren om aan vlees te komen.
Ook gingen ze zelf gewassen telen zodat ze niet hiernaar op zoek hoefden te gaan.

Hiervoor was grond nodig en dit kreeg men door gedeeltes van de bossen plat te branden.
Na een paar jaar was deze grond uitgeput en dan werd een nieuw stuk aangelegd.
Op de braakliggende gronden kregen onkruiden een kans, een redelijke voedselvoorziening voor vee.

Alleen de stevigste plantensoorten bleken bestand tegen deze begrazing, gras en heide.
Op de schrale grond deed de heide dit het best.
Later ontdekten de mensen dat akkergrond door bemesting langer gebruikt kon worden, en ook hier werd heide voor gebruikt.
Voor het vee dat zich in potstallen bevond werd als strooisel heideplaggen gebruikt en later werd dit, samen met de mest, op het land gebracht als bemesting.

Op sommige plekken is deze eeuwenlange ophoging van het land duidelijk te zien, zoals bij voorbeeld aan de Rotweg in Ratum.
Toen de kunstmest in zwang kwam was het met de heide gedaan, stro werd gebruikt voor in de stal, en de heidegronden werden omgezet in weide- en akkergronden.
Slechts op een paar plaatsen bleven stukjes heide over.