Opvallend in Ulft ....(foto Jan Besselink)

In de plaatsen langs de Oude IJssel is van oudsher de ijzerindustrie belangrijk geweest.
Dit kwam door de aanwezigheid van ijzeroerbanken in de Achterhoek.

Daar waar men het ijzer kon vervoeren werden de fabrieken neergezet.
Dit werden dus de plaatsen langs de Oude IJssel zoals Ulft, Terborg, Doetinchem en Keppel.

In 1689 kreeg Josias Olmius een octrooi van de Staten van Zutphen, "om te mogen ontdecken, soecken ende reduceren sodaene minerael van ijser ende alle andere mineralen, als hij aldaer sal konnen vinden, dienstig om iser te gieten".

Hij kreeg ook toestemming om bij Rekhem een watermolen om te bouwen voor het aandrijven van de blaasbalgen.
Deze waren nodig om de hoge temperaturen in de houtskoolovens te bereiken.

Kort daarna begon de eerste Nederlandse ijzergieterij aan de Bielheimerbeek.
Er waren nog wel problemen omdat door het opstuwen van het water de ene kant te drassig werd en de andere kant te weinig water kreeg om de korenmolen te Doetinchem te laten draaien
Het geproduceerde ijzer werd werd hoofdzakelijk als gietwerk afgeleverd, roosters, ramen enzovoort.

Na zijn overlijden in 1713 gingen zijn kinderen door met het bedrijf.
Een van zijn kinderen zou nog burgemeester van Doetinchem worden.
Het bedrijf maakte toen onder andere bommen en handgranaten.
In 1794 werd het bedrijf verkocht, vervolgens verhuisde het naar Laag Keppel waar het als "Keppelsche IJzergieterij" verder ging.



In het midden van de 18e eeuw besloot men om in Ulft een ijzerhut te bouwen.
Het plan was om hier potten, pannen en ander keukengereedschap te maken.
Hier werden bezwaren tegen gemaakt door de erven Olmius, en ook door de stad Doetinchem, die vreesde dat door het wassen van het oer de Oude IJssel minder bevaarbaar zou worden.

Het mocht niet baten, in augustus 1755 begon de productie van de Ulftse ijzerhut.
De eerste jaren gingen de zaken niet erg goed, maar toen zakenlieden uit Amsterdam belangstelling toonden, ging het beter.
Vanaf 1761 heette het "Amsterdamsche en Ulftse IJzerhutte", er was toen ook een winkel waar de mensen de producten konden kopen.

In 1774 werd de hut verpacht aan de heren Diepenbrock en zijn neven Reigers uit Bocholt.
De DRU was een feit.





Naast het produceren van ijzer uit ijzeroer ging men er in de 19e eeuw toe over ruwijzer te hersmelten in koepelovens: Nering Bögel te Deventer (ong. 1830), Terborg rond 1850.

De concurrentie-mogelijkheden van de smelterijen namen echter geleidelijk af.
Nieuwe hoogoventechnieken konden niet meer gevolgd worden en later gingen de oorspronkelijke vestigingsplaats voordelen verloren door de opkomst van het spoorweg- en stoombootverkeer .

Na 1870 hielden de OostNederlandse gieterijen dan ook een voor een op met de winning van ijzer uit ijzeroer: het eerst Nering Bögel in Deventer, tenslotte Diepenbrock en Reigers (DRU) te Ulft in 1890.
Men was helemaal overgegaan op het hersmelten van geimporteerd ruwijzer, een werkwijze die al in de 17e eeuw in het Westen van ons land was toegepast.



Anno 2004 wordt de Oude IJssel nog steeds gebruikt voor de vrachtvaart.
Voor enige bedrijven in Doetinchem is het water nog een goede vorm van vervoer.

Bron:Het Haardplatenmuseum in Klarenbeek.
Achterhoekse almanak/Henk Harmsen.