In het midden van de negentiende eeuw werd door de Gelderse Maatschappij van de Landbouw al onder zoek gedaan naar de teelt van landbouwproducten.
Hier volgt een verslag uit 1846 van deze maatschappij, afdeling de Heerlijkheden.
Hieronder vielen de gemeenten Aalten, Eibergen, Groenlo, Lichtenvoorde, Neede en Winterswijk.
Het gaat over het gewas rogge, dit heeft altijd een belangrijke plaats ingenomen in de Achterhoek.


Het verslag

Het bouwland is hier, zoo als overal elders in de Graafschap Zutphen, verdeeld in hof- en garfland.
Op het garfland, hetwelk de groote kampen en de enken uitmaakt, teelt men rogge, boekweit, haver en aardappelen:op het meestal lager liggende hofland, in de nabijheid der woningen, de meeste aardappelen, gerst, tarwe, oliezaad, vlas, wortels en klaver.
Het alhier in zwang zijnde landbouwstelsel, waarin de rogge de voornaamste plaats bekleedt, is het van ouds bekende stelsel van drie slagen zonder braak, waar, bij twee achtereenvolgende jaren, met rogge afgewisseld worden met boekweit.
In het tweede rogge-jaar, soms ook in het eerste, worden in de stoppels, zodra mogelijk na het maaien vloot omgeploegd, spurrie en gedeeltelijk ook knollen, (ruven) gezaaid, waarvan de eerste op het veld verteerd wordt door aan palen bevestigd (getuurd) rundvee.


Boekweitslag

Oorspronkelijk was de boekweitslag eens braak, welke niet voor den zomer omgeploegd tot veeweide verstrekte, waarbij alleen de eerste roggeslag werd gemest.
De braak is misschien sedert eeuwen afgeschaft, doch het mesten van den eersten slag alleen heeft tot voor eene halve eeuw stand gehouden.
Men mest deze thans minder zwaar, maar tevens ook den tweeden slag of de zoogenoemde volg-rogge, en bij velen daareenboven de boekweit of den derden slag.
De boekweit wordt nu en dan vervangen door gemeste aardappelen of haver.
De bemesting van het roggeland bestaat uit schollen en plaggen, gedurende den zomer gemengd met dierlijke uitwerpselen.
Schollen noemt men dunne zoden van heide, plaggen van gras- of groengrond, welke hier met den hak, ginds weder met de plakkenzicht worden geslagen of gemaaid.


Heidevelden

Deze bemesting berust alzoo op het bestaan van heidevelden en onbebouwde gronden.
Wanneer men echter, na de verdeeling der Marken, al deze gronden wenscht te gebruiken voor weiden, bouwland of houtgewas, dan zal het onmogelijk zijn om deze methode te blijven volhouden.
De schollen en plaggen worden deels onder het vee gestrooid, hetwelk des nachts en des middags gedurende een drietal uren op stal staat, deels met de zoogenoemde stalmest, laagsgewijze vermengd, in de vaalten achter de stallen.


Schollen en plaggen

Ook rijdt men de schollen en bij voorkeur de plaggen, vier of vijf weken voor den oogst, op het land, en vermengt elke tien voer (van 750 Ned. ponden,=750 kg), met een voer stalmest; doch uit gebrek aan mest gebruikt men zeer dikwijls deze hoeveelheid niet en laat het zelfs soms bijna alleen op de plaggen aankomen.
Voor eene behoorlijke bemesting worden gehouden 20 voer stalmest, 60 voer vaaltmest of 100 voer plaggen, op de bunder.
Men brengt de mest in augustus over de rogge- of boekweitstoppels, ploegt hem vloot(8 Ned. duimen=8 cm) onder, en egt vervolgens eens of meer malen tot het doden van het zich spoedig ontwikkelende onkruid.


Eggen

Is de akker echter zeer met onkruid, vooral met kweek (Triticum repens) bezet, dan wordt deze voor het bemesten gebouwd en eenige malen, bij droog weer geëgd, ten einde de kweek door de zon te doen verschroeien en te dooden.



De grootte der akkers hangt geheel van toevallige en plaatselijke omstandigheden af, doch grooter stukken met den zelfden slag bezet, dan van anderhalven bunder zijn hoogst zeldzaam.
Op het voordeel van smalle akkers, op het regelmatige en het vermijden van de bij het ploegen zoo veel tijd vernielende geerstukken, wordt weinig of niet gelet, en op de groote bouwkampen of enken is dat ook meestal niet in de praktijk te brengen, omdat aldaar de eigendommen gelijk overal in Gelderland, Overijssel en Drenthe, op eene jammerlijke wijze versnipperd dooreen liggen.


Ploegen

Omstreeks st. Michiel (29 september) wordt nu het land opnieuw, ter diepte van 15 duimen (15 cm) geploegd en het zaaizaad (3 Ned. mudden(=100 ltr) op het bunder) in de open vore uitgestrooid en ondergeegd.
De diepte van het ploegen wordt geregeld naar de hoeveelheid verbruikte mest, want bij eene geringe bemesting gelooft men ook vloter te moeten ploegen.
Als de geschiktste zaaitijd voor de rogge worden de drie weken aangehouden, volgende op st. Michiel, en de tweede van deze voor de beste, omdat alsdan de jonge plant goed geworteld den winter intreedt.
Later gezaaide rogge is op dat tijdstip reeds van de korrel of heeft het uitgezaaide zaad reeds tot zijn opgroeien verbruikt en vindt dus hier geen steun meer.
Zoo lang, evenwel, de plant met een enkel blad uit den grond spruitend op de korrel staat, schijnt zij zeer veel ongunstig weder te kunnen verdragen.


Schapen en varkens

Terwijl wieden, eggen of rollen van de rogge in het voorjaar onbekend zijn in deze streken, valt er tussen het zaaijen en den oogst niets te doen.
Alleen laat men in de lente soms op weelderig gewas schapen of varkens loopen of plukt dit af,(roeen) ten einde den groei terug te zetten en tevens veevoeder te winnen.
Het maaijen geschiedt met de zicht (niet met de zeis als in Drenthe) in de tweede helft van julij, wanneer het stro geel en de korrel hard is.
Het afwachten eener volkomene rijpheid houden sommigen niet voor voordelig, omdat zij daardoor, minder blank meel,ligter zaad en minder krachtig stroo als veevoeder menen te verkrijgen.
Achter elke paar maaijers worden de garven terstond door eene vrouw met twee banden opgebonden, en elke avond vier aan vier tot zoogenoemde gasten opgezet.


Gasten

Vijf en twintig dusdanige gasten vormen alzoo eene vim of 100 garven.
Eene garf weegt omstreeks 5,5 Ned. pond.
Twee maaijers en eene bindster maaijen op eene dag 40 Ned. roeden (=0,4 ha.).
Als een gewone goede oogst worden op het bunder gerekend met 12 vim of 6500 Ned. ponden stroo en 18 Ned. mudden zaad; welk zaad, gemiddeld, 70 Ned. ponden (=70 kg) het Ned. mud weegt.
Alle granen worden in deze streken onder dak, in de huizen en in de schuren bewaard, terwijl hooi- of zaadbergen, niet in gebruik zijn.



Het dorsschen geschiedt met dorschvlegels.
Vijf man kunnen daags drie vim dorsschen en daarbij het zaad schoonmaken, hetwelk meestal door wannen geschiedt; doch kafmolens met of zonder zeven komen hoe langer hoe meer in gebruik.
Nabij Groenlo worden deze laatsten zeer goed gemaakt voor f 16,- het stuk.


Uit dit verslag blijkt dat er tot het midden van de negentiende eeuw alleen gebruik werd gemaakt van organische bemesting, als een boer niet veel vee had kon hij zijn land ook niet voldoende bemesten.
Korte tijd hierna ging men andere manieren toepassen, uit Zuid amerika werd guano, de gedroogde vogelmest geimporteerd.
Vervolgens werd er beendermeel, thomas-slakkenmeel en kainiet gebruikt.
Door deze nieuwe toepassingen en door het afschaffen van de Markegronden werden de woeste gronden in hoog tempo gecultiveerd, de Achterhoek veranderde rond de eeuwwisseling snel van aanzien.


Bron: Zwolle, old niejs oet de boerschap Zwolle-Holterhook.