De Oude molen in Lichtenvoorde.

De oude molen.

Deze molen werd waarschijnlijk al in de zestiende eeuw hier, aan de tegenwoordige Molendijk, neergezet.
Het was een open standerdmolen.
De opdrachtgever was de heer van Lichtenvoorde, die het zogenaamde windrecht had.
De boeren uit de omgeving werden verplicht het koren daar te laten malen en de bakkers moesten ook daar hun meel kopen.

De molen werd door de heer van Lichtenvoorde verpacht aan de meest biedende, klik hier om te zien hoe de molen van Aalten indertijd verpacht werd.
De molen en het bijbehorende mulderhuus werd verpacht aan de familie Wijnveld.
In 1796 werd mede door de Franse invloed de molendwang afgeschaft.
In 1838 werd Wijnveld ook eigenaar van de molen, toen hij in 1865 overleed kwam de molen in het bezit van de uit Duitsland afkomstige Sterneborg, zijn schoonzoon.

Molenaar werd toen ene Willem, een ongetrouwde man die met zijn zuster in het muldershuis woonde.
Men noemde hem natuurlijk Willem van de mulder.

De molen had een vlucht van 25 meter, dit was voldoende om twee koppels maalstenen aan te drijven.
Een koppel maalstenen werd gebruikt om veevoeder te maken.
Tot het eind van de negentiende eeuw werd de molen gebruikt, maar in 1899 was de toestand dusdanig slecht dat besloten werd de molen te verwijderen.
De molen verhuisde naar Henxel bij Winterswijk, waar hij nog tot 1920 dienst deed.












De molen van Wijngaarden in Lichtenvoorde.

De molen van Wijngaarden.

In juni 1842 schrijft Gerhardus Theodorus Venderbosch een brief naar koning Willem II, waarin hij toestemming vraagt om een nieuwe molen in Lichtenvoorde te mogen oprichten.

Sire!

Geeft met den meest schuldigen eerbied te kennen Gerhardus Theodorus Venderbosch, korenmolenaar wonende te Lichtenvoorde.
Dat hij en zijne voorzaten gedurende een lange reeks van jaren daar ter plaatse het beroep van molenaar hebben uitgeoefend, en dat hij er roem, op durft dragen, dat wanneer ook al enkele malen dwaling tot calange (bekeuring en aangfte van een strafbaar feit met betrekking tot 's rijks belastingen) aanleiding gaf, men te vergeefs naar eenig bewijs zal zoeken, dat hij er op uit zoude zij geweest om op een bedrieglijke wijze zich aan verkorting van 's Rijksregten sehuldig te maken durvend hij daaromtrent met vertrouwen het getuigenis van de administratie inroepen.
Dat hij thans buiten bestaan zal geraken doordien de Molen welke laatstelijk door hem in pacht wordt gebruikt in het Openhuar is verkocht geworden aan Johan Elbertus Theodorus Wijnveldt en H. Hulshof.
Zonder dat hij gelegenheid heeft derzelfde op nieuw te pachten, terwijl het grootste gedeelte van zijn pachtjaren reeds is voltrokken.
Dat hij daarvoor vurig zoude wenschen dat aan hem de vergunning mogt worden verleend om op een stuk grond van vier bunders, genaamd Den Ouden Hof bij het dorp Lichtenvoorde, eenen Nieuwe, Molen te bouwen.

Verder schrijft hij dat hij ook graag pelmolenaar wil zijn, hij wijst erop dat zijn vader en grootvader ook al molenaars waren.
Venderbosch was op dat moment molenaar van de oude molen, de standerdmolen.

In de gemeenteraad van Lichtenvoorde werd zijn verzoek behandeld.
Zijn verzoek werd door aanplakken en door afkondiging van de kansel bekend gemaakt, en er kwam inderdaad een bezwaar binnen.
De eigenaars van de oude molen, Wijnveldt en Hulshof hadden bezwaren tegen de nieuwe molen.
Op een niet mis te verstane manier werd het verzoek van Venderbosch aangevochten.
Het feit dat Venderbosch door zijn huwlijk was overgestapt van de hervormde naar de katholieke kerk speelde daarbij waarschijnlijk een grote rol.
Eigenaar Wijnveld was een oom van molenaar Venderbosch.

De raad oordeelde echter dat de geplende molenbouw kon doorgaan, Venderbosch kon in 1844 met zijn nieuwe molen draaien.
Enige jaren later verkocht hij de molen aan de burgemeester van Lichtenvoorde, van Basten Batenburg, hij blijft wel zelf de molenaar.
Het verkoopbedrag was 6089 gulden.

Na het overlijden van van Basten Batenburg in 1851, krijgt zijn dochter de molen, die het vervolgens in 1869 overdoet aan het "Roomsch Katholiek Armenbestuur".
Molenaar is dan de zoon, Augustinus Frederikus Venderbosch.
In 1892 stopt hij met de molen, om in Lichtenvoorde een winkel te beginnen.
Nieuwe molenaar wordt dan Toon van Wijngaarden uit Schalkwijk, hij huurt de molen van het armenbestuur.

Als in 1895 de molen door brand getroffen wordt, wordt deze toch nog weer gerepareerd, zelfs nog hoger gemaakt om beter te kunnen malen.
Later wordt de molen verkocht, op 1 april 1905 is van Wijngaarden niet alleen molenaar, maar ook eigenaar van de Nieuwe Molen.
Vier zoons van hun werden ook molenaar, waarvan n in Zieuwent.

In 1942 werden de wieken voorzien van het Ten Have-systeem.
Op 9 november 1955 werd er een sloopvergunning afgegeven, in 1958 kwam er een eind aan de windbemaling.
De molen werd onttakeld, het binnenwerk eruitgehaald.
Er werd alleen maar meer op motorkracht gemalen.
De roeden van de molen gingen naar de molen van Vragender.

Nog lange tijd bleef de romp staan.
Momenteel is er bijna niets meer over van de molen, met uitzondering van een stuk muur dat nog in de maalderij te zien is.
Op de vloer is ook nog duidelijk te zien waar ooit de molen van Wijngaarden stond.












Een watervluchtmolen.

Een watervluchtmolen.

Een watervluchtmolen is een type molen waarbij behalve van de wind ook van waterkracht gebruik wordt gemaakt.
Aan de Lichtenvoordse beek aan de Oude Groenloseweg, bij boerderij 't Huinink stond een molen van dit type.
Deze werd rond 1680 gebouwd.
Op 16 november 1789 werd de molen door sabotage geheel vernield.
De molen brandde tot de grond toe af.

De molen die eigendom was van de heerljkheid Lichtenvoorde was net zoals de standerdmolen een zogenaamde dwangmolen.
De boeren waren verplicht hun graan daar te laten malen.
Het was een achtkantige molen op een houten onderbouw, die met riet gedekt was.
Het was een koren- en oliemolen.
Het plaatje hiernaast is een tekening van een watervluchtmolen, niet de molen van Lichtenvoorde.












Kadasterkaart van de oliemolen in Lichtenvoorde.

Een rosmolen?

Op een oudere kadasterkaart staat een vermelding van een oliemolen.
Dit is aan de huidige Esstraat, ongeveer waar nu de apotheek is.
In 1832 was dat op het kadastraal perceel nr.1303.
De eigenaar en olieslager van de molen was Rutger te Welscher, geboren 31 juli 1771.
Hij was getrouwd met Berendina Wiechers, geboren 15 dec 1782.

Verder heb ik geen gegevens van deze molen, waarschijnlijk was het een rosmolen.
In Lievelde en Zieuwent waren ook molens van dit type.
In de meeste plaatsen in de Achterhoek waren meerdere rosmolens, ze waren met minder vakkennis te bedienen.
De echte wind molenaars moesten ook veel meer betalen voor hun rechten.





Watermolens?

Het zou kunnen zijn dat er in Lichtenvoorde lang geleden n of meer watermolens gestaan hebben.
In 1571 schrijft Lambert Noey, de barbier van Alva, een brief aan het Hof van Gelre.
Hij vraagt in die brief een stuk grond te mogen pachten en exploiteren.
De naam van het grondstuk is "Groot Zytwint".(Zieuwent)
Hij schrijft over de zeer natte toestand van het bedoelde stuk land, het grootste deel staat onder water.
De stad Grolle en de de Heerlijkheid Lichtenvoorde hebben er molens staan volgens Lamberts brief.
Het zou natuurlijk goed kunnen zijn dat deze molens gebruikt werden om het overtollige water weg te pompen.
Over de plaats waar deze gestaan zouden hebben, is niets bekend.



Een molen aan de Lakenbeek?

Aan de Lakenbeek in Vragender is ooit al eens een molensteen gevonden.
Het zou natuurlijk goed kunnen dat er ooit een watermolen stond, gegevens zijn er mij niet bekend.
Ik hou me aanbevolen voor aanvullingen.












De Boschmolen in Lichtenvoorde.

De Boschmolen.

Aan het begin van de Zieuwentseweg stond vroeger de Boschmolen.
Oorspronkelijk stond deze molen aan de Groenloseweg in Winterswijk en heette daar de Klompsmolen.
Van oorsprong kwam de molen waarschijnlijk uit de Zaanstreek.
In 1903 werd de molen vanuit Winterswijk verplaatst naar Lichtenvoorde, daar werd hij door Klomps herbouwd.

De eerste eigenaar was Gerhardus Johannes Wiggers, die uit Groenlo kwam.
Nadat hij op diverse plaatsen boerenknecht was geweest, leerde hij het molenaarsvak in Duitsland.
Hij wordt in juli 1902 molenaarsknecht op de molen van Wijngaarden.
Hij blijft daar dan ook werken tot 1906, hoewel hij dan al jaren de eigenaar is van de Boschmolen.
Wanneer hij november 1906 met Anna Maria Rouwhorst trouwt, gaan ze bij hun eigen molen wonen.
Als knecht kwam Johannes Antonius Holweg de gelederen versterken.

Naast de molen stonden ook twee kleine gebouwtjes met een schoorsteen, waarschijnlijk was daarin een zagerij die aangedreven werd door een stoommachine.
De molen was een achtkantige stellingmolen, een houten molen op een stenen achtkant.
De vlucht was 22,5 meter en er werd op deze molen met molenzeilen gewerkt.

Omdat de omgeving van de molen "t Bosch heette, werd de molen de Boschmolen genoemd.
De Boschlaan is er natuurlijk nu ook nog.
De molen stond niet erg gunstig, alleen als de wind zuid-zuid west stond kon de molen optimaal produceren.
Aan de andere kanten stond er veel bebouwing die de wind hinderde.
Misschien was dit wel de reden dat Wiggers nog langere tijd op de molen van Wijngaarden bleef werken.

In 1912 werd het tijd voor een grondige opknapbeurt van de molen, maar Wiggers besloot de molen te verkopen aan Petrus Jacobus Willemsen.
Hij bleef er zelf wel werken.
Willemsen liet de molen herstellen, hierbij werd hout gebruikt dat afkomstig was van de oude rk waterstaatskerk.
Een andere as en een roede werd verkregen van de Walmolen in Doetinchem die intussen op machinaal malen was overgeschakeld.

In 1917 wordt de zoon van Willemsen de nieuwe molenaar op de Boschmolen.
Knecht werden achtereenvolgens Gerritsen en Aarnink.
In 1925 worden de wieken verwijderd en men schakelt over op elektriciteit.
De romp blijft staan en wordt als silo gebruikt tot 1964, dan wordt alles gesloopt om plaats te maken voor een nieuwe silo.
In 2002 werd ook deze afgebroken, slechts een schuur herinnert nog aan de maalderij en de Boschmolen.












De molen van Beusink in Lievelde.

De molen van Beusink.

Beusink is boer in Lievelde, maar hij besluit om een bedrijf te stichten om zijn inkomen wat te vergroten.
Hij hinkt dan nog wel op twee gedachten, eenerzijds wil hij een slachterij beginnen, anderzijds een molen.
Het wordt het laatste, in 1863 krijgt hij toestemming om een molen op te richten in Lievelde.

Daar staat op dat moment al een molen, op de plek waar nu de kerk staat.
Deze molen, een houtzaagmolen, werd gepacht door Peter Aversteeg, een vrijgezel die schijnbaar meer belangstelling had voor het toenmalige café Abbink dan voor zijn molen.
Beusink neemt deze molen over en verkoopt hem later aan Groot Zevert in Beltrum.
Daar werd de molen in 1885 weer opgebouwd.
Een tijd lang hebben er dus twee molens in Lievelde gestaan.
Het stuk grond waarop deze molen stond heette de Petersberg, een erg toepasselijke naam, omdat op deze plek later de kerk gebouwd werd.
Beusink zette zijn nieuwe molen iets zuidelijker neer.

Hij heeft natuurlijk geen enkele ervaring als molenaar en daarom wordt Gunnewick als molenaar aangesteld op de molen.
De zoon van Beusink gaat naar Duitsland om bij verschillende molens aldaar ervaring op te doen, om daarna het bedrijf in Lievelde te kunnen runnen.
Na 7 jaar neemt hij de molen dan ook over, Gunnewiek gaat naar Vragender, om daar het molenaarsvak uit te oefenen.
De molen in Lievelde blijft in het bezit van de familie Beusink.

Later wordt ook hier machinaal gemalen, de wind is een te onzekere factor om continu te kunnen produceren.
Misschien stond de molen ook niet vrij genoeg in de wind.
In de oorlog wordt soms wel weer op wind gemalen, maar de wieken hebben hun langste tijd gehad.
In die tijd gebruiken de Duitsers soms de molen ook wel om geallieerde vliegtuigen op te sporen, net zoals bij de molen van Bredevoort.

In 1950 heeft de molen slechts één roede meer over.
Eind zestiger jaren komt het einde van de molen van Beusink, op 8 mei 1967 wordt er een sloopvergunning afgegeven.
De molen verdwijnt en op de plek waar ooit de molen stond, staan nu huizen.
Veel van het materiaal dat bij de sloop vrijkwam, werd gebruikt in het huis waar thans de achterkleinzoon van de oprichter woont.
Het eikenhout uit de molen was natuurlijk van zware kwaliteit.
Eén van de molenstenen doet nu dienst als stoep voor de deur.














De Molenweg in Lievelde.

De meeste plaatsen in de Achterhoek hebben wel een Molenweg, straat, dieksken, of pad.
In zo goed als alle gevallen stond of staat er dan een molen waarnaar de straat vernoemd werd.
Ook in Lievelde is een Molenweg, met daarbij een huis met de naam "Molenvoort".
Toch heeft hier geen molen gestaan, de Molenweg dankt zijn naam aan iets anders.
In dit lage gebied zat men vroeger nog al eens verlegen om materiaal om de boel op te hogen.
Onder andere werd hierbij gebruik gemaakt van het materiaal dat vrijkwam bij de sloop van de molen in Groenlo.
Toen in de zestiger jaren alle wegen buitenaf een naam kregen, was het natuurlijk toepasselijk om hier de Molenweg van te maken.

Een verplaatsbare rosmolen. Een verklaring die Hagens geeft in zijn boek "Molens Mulders Meesters", is, dat Maurits tijdens het beleg van Groenlo in 1597 hier zijn rosmolens had geplaatst voor de voedelvoorziening van zijn leger.
Op de tekening zie je dit soort molens, zoals deze bij het beleg van Lochem gebruikt werden.












De rosmolen bij Erve Kots.

De rosmolen bij Erve Kots.

Een rosmolen is een type molen die in plaats van wind of water door een trekdier aangedreven werd.
Hiervoor werden dus meestal paarden gebruikt.
Deze dieren liepen vastgemaakt aan een boom rondom het kamrad.
De langzaam draaiende beweging van dit rad werd overgebracht op een veel kleiner rad, zodat de snelheid veel hoger werd.
Door dit rad werd de maalinrichting in werking gezet.

Rosmolens werden gebruikt om zelf thuis te malen, er was ook niet zo'n speciale kennis voor nodig dan voor een windmolen.
Vroeger was dit soms een doorn in het oog van echte molenaars die hun rechten duur moesten betalen.
Voor de in hun ogen beunhazende rosmolens was dit niet van toepassing.

Om een rosmolen in werking te zien kun je hier klikken, het is de rosmolen van Zeddam die geheel gerestaureerd is.

Deze rosmolen was oorspronkelijk een korenmolen en stond bij de boerderij van Geesink in Lievelde.
Begin zestiger jaren was de schuur, waar de molen stond, nodig voor andere doeleinden.
Het drijfwerk van de molen werd verwijderd en door de eigenaar van Erve Kots gekocht.
In 1963 ging alles naar het museum.
Jaren later was het gebouw waarin de molen zou komen klaar, en in 1972 was de rosmolen weer bedrijfsklaar.
De molen is regelmatig in bedrijf te zien.














De oudste molen van Lievelde?

In het voorjaar van 1935 werden er bij de Eschboom aan de Eefselerweg enige graven blootgelegd die uit de Frankische tijd stamden.
Waarschijnlijk uit de zevende eeuw.
Er werden zo'n 25 graven gevonden, waarin soms ook grafgiften.

En van de graven viel meteen op door zijn grootte.
De leider van de opgravingen, F.C. Bursch, schrijft in zijn verslag:
Kuil XI viel door zijn grootte al op.
Het bleek dat naast den eigelijken grafkuil een afzonderlijk gat gegraven was, waarin wij op elkaar twee groote molenstenen aantroffen.
Hier was dus blijkbaar de mulder van de kleine gemeenschap bijgezet.

Dit is zondermeer de oudste aanduiding dat er in het verleden hier iets van een molen gestaan moet hebben.












De Hermien in Harreveld.

De Hermien in Harreveld.

De plek waar de molen nu staat, was vroeger eigendom van het kasteel Harreveld.
De eigenaresse van dit kasteel was Johanna Magdalena Catharina Judith baronesse van Dorth.
Deze "Freule van Dorth" was eind negentiende eeuw een fanatiek orangist.
Ze stak haar mening niet onder stoelen of banken en kwam meerdere malen in botsing met de patriotten.
In 1799 werd ze door de patriotten en de Fransen gearresteerd en op het jodenkerkhof in Winterswijk doodgeschoten.
Haar bezittingen werden toen publiekelijk verkocht.

De grond kwam in het bezit van J.J.S. van Raesfelt, geneesheer in Bocholt.
Hij betaalt 53.160 gulden voor alle bezittingen,inclusief bossen, weides, veengronden, tien erven, een herberg en nog veel meer.
Omdat er nogal verwaarloosd is, moet hij fors investeren, waarvoor hij lenen moet.

Al in 1805 wil hij in Harreveld een molen plaatsen, maar in Lichtenvoorde is men bang voor klantenverlies van hun molen en het ging dus niet door.
Als van Raesfeld jaren later zelf wethouder is, drukt hij het plan erdoor en in 1819 laat hij een molen bouwen op de Westerkamp, ookwel de Harreveldschen Esch genoemd.
Of alles goed liep, is de vraag, meerdere malen worden er openbare verkopen aangekondigd.
Zoals in 1842 bij de Radstake, alles staat te koop, niet alleen de molen en het mulderhuis, maar ook een tiental bouwplaatsen rondom de molen.
Toch blijft hij eigenaar tot aan zijn dood in 1853, dan wordt alles verdeeld.
Dochter Bernadine kreeg de molen en het bijbehorende huis.

In 1891 huurt Rietberg uit Meddo de molen van Bernadine de Both, de kleindochter van van Raesfeld.
Als Bernardine de Both in 1900 overlijdt, schenkt ze haar bezittingen, waaronder de molen, aan de r.k. parochie te Harreveld.
Molenaar is dan al G.J. Wolterink, die dan de molen in 1906 huurt van het kerkbestuur.
In het kontrakt staat onderandere dat hij de pastoor van Harreveld jaarlijks enige kippen en eieren zal leveren en ook een half mud appelen, mits deze goed gewassen zijn.
Ook wordt er er al rekening mee gehouden dat er een wissel voor de tram aangelegd kan worden.

In 1917 breekt er een brand uit in de molen, de schade wordt gerepareerd, er moet een as vervangen worden.
In plaats van een houten as wordt er nu een gietijzeren exemplaar gebruikt.
Op 12 mei 1930 koopt Wolterink de molen van het r.k. kerkbestuur voor de somma van 1850 gulden.

Hij overleed in 1937 en nadat zijn vrouw in 1951 stierf, werd de zoon Joop de nieuwe eigenaar.
Vanaf 1936 werd er ook met een gasmotor gemalen, niet in de molen maar in de oude lagere school in Harreveld.
In de oorlog doet de molen weer goed dienst omdat er gebrek aan brandstof was.
De beste tijd was echter voorbij, in 1947 draaide de molen voorlopig voor het laatst.
Zes jaar later komt het bericht dat de molen een rijksmonument zal worden, er wordt niet gesloopt.
Het duurde nog een hele tijd voordat de molen weer kon draaien, maar op 14 april 1967 ging de vlag in top, de restauratie was een feit.
De nieuwe naam werd "De Hermien", genoemd naar de vrouw van de molenaar die de stuwende kracht was geweest achter deze restauratie.

Op 22 maart 1981 breekt kompleet onverwacht de as en het hele wiekenkruis valt naar beneden.
Gelukkig zijn er geen persoonlijke ongelukken, maar de schade is groot.
Met man en macht worden er acties gehouden om geld bijeen te krijgen voor de restauratie, deze zal ongeveer een ton bedragen.
Een andere as wordt gehaald uit de gesloopte korenmolen "Het Hert" te Rhoon (ZH).
Op 16 maart 1982 word de as en het wiekenkruis weer geplaatst en op de molendag van dat jaar draait de Hermien weer.












Goldewijk in de molen.

De oliemolen in Zieuwent.

In 1822 heeft Teunis Krabbenborg een windkorenmolen in Zieuwent geplaatst.
Dit blijkt uit een inscriptie op een steen die bij de sloop van de molen gevonden werd: October 1822:Teunis en Derk Tiller waren de bouwer dezer molen.
In 1856 kregen ze toestemming om een stoommachine in hun windkorenmolen te plaatsen.
Deze machine kwam van de DRU uit Ulft.
De molen was nu minder windafhankelijk

Er blijkt echter ook behoefte te zijn aan een oliemolen, deze wordt in 1841 gerealiseerd.
Op het erf van Groot Tiller wordt een plek gevonden voor de molen, in 1846 wordt in het kadaster vermeld:een oliemolen en erf.

In 1869 zijn Harmen Harbers en zijn vrouw Johanna Krabbenborg , dochter van Teunis Krabbenborg de nieuwe eigenaren.
Hun zoon Jan zette het bedrijf voort.
Zijn dochter Johanna trouwde met de buurjongen Hendrikus Klein Goldewijk, hij verving in 1894 het paard in de molen door een stoommachine van 12 pk.
Toen Hendrikus in 1915 overleed werd zijn stiefzoon de nieuwe eigenaar.
Deze stond bekend onder de naam 'Tillas Antony' .
Antony trouwde in 1917 met Theodora Berendina Hulzink, maar hun huwlijk bleef kinderloos.

De meeste boeren hadden in die tijd wel neveninkomsten, het was erg moeilijk om het hoofd boven water te houden.
Voor Krabbenborg en zijn schoonzoon Harbers was dit eigelijk geen noodzaak, zij behoorden tot de meest welvarende boeren in de buurt.
Met de verdeling van de woeste gronden bij Zieuwent in 1832 hadden ze heel wat verkregen, en dat had met hun status en inkomen te maken.
Alleen de rijke boeren kregen het recht om de voormalig gemeenschappelijke gronden in cultuur te brengen.

Na de verdeling van de gronden in 1832 werd de veestapel van de boeren snel uitgebreid, men had meer weidegrond en men moest meer mest hebben om de nieuwe gronden vruchtbaar te maken.
Behalve raapzaadolie produceerde de molen ook voer voor de koeien.
Raap- en lijnkoeken, eindproducten van de oliemolen, dienden als wintervoeding voor het vee.
Het was het enige krachtvoer dat in die tijd verkrijgbaar was.
Misschien was het zo dat de molenaar zijn klanten in natura liet betalen, door een gedeelte van het product voor eigen gebruik te houden.
Krabbenborg en Harbers hadden een een, naar verhouding, groot aantal koeien.
Dat zou een verklaring kunnen zijn voor het oprichten van de molen.

Rond de eeuwwisseling werd het minder druk op de molen, door het gebruik van kunstmest was men in staat om andere gewassen zoals koren en haver te produceren.
Het werd daarom steeds minder met de grond uitputtende teelt van raapzaad.
De olie was ook minder nodig door het gebruik van petroleum.
De raapkoeken voor het vee werden elders goedkoper ingekocht door het oprichten van coperaties.

In 1906 ging de stoommachine stuk, Klein Goldewijk wilde niet meer investeren in de molen.
Het paard werd weer gebruikt, net zoals vroeger.
Nog een kleine twintig jaar hield hij het op deze manier vol, in 1924 hield Antony Klein Goldewijk, de laatste olieslager van Zieuwent ermee op.
In 1930 biedt hij de molen te koop aan en deze wordt vervolgens verplaatst naar het openluchtmuseum in Arnhem.












De molen in Alverna.

De molen in Zieuwent.

In 1855 was er behalve de molen van Tiller nog een molen in Zieuwent.
Deze was van Berend IJzereef op het Molder.
Deze beltmolen had waarschijnlijk moeite om de concurrentie aan te gaan met de veel rijkere familie Krabbenborg.
Ijzereef vraagt wel een vergunning aan om een watermolen aan de Veengoot te mogen bouwen, maar dit verzoek wordt afgewezen.

Blijkbaar is er iets met de molenaar aan de hand, want in 1882 geeft de burgemeester van Lichtenvoorde de volgende verklaring over hem af:
"deelt mede dat Bernardus IJzereef, zoon van Eijmert IJzereef en Henrica Stortelder, geboren op 7 november 1824 te Zieuwent, het laatst alhier is werkzaam geweest bij dokter Reichman.
Dat hij een goeden molenaar is, doch dat hij niet altijd goed bij zijn verstand is en dan gewoonlijk wegloopt.
Overigen heb ik nooit iets slechts van hem vernomen.


In 1887 is het voorbij, de molen wordt afgebroken en in Alverna weer opgebouwd.
Kort daarna breekt er brand uit en dit gebeurt in 1941 nog een keer.
Hoewel er niet mee gedraaid wordt, is de molen wel goed onderhouden.
Pas in 2002 werd de molen weer in bedrijf gesteld.
Het gaandewerk is nog gedeeltelijk origineel uit 1887.
Op de foto zie je de molen in Alverna.












Wijenborgs molen in Vragender.

De 'Vier winden"in Vragender.

Duidelijk zichtbaar in het landschap is de molen van Vragender, de Vier Winden.
De molen staat op het hoogste punt van de omgeving, een overblijfsel van de laatste ijstijd.
Een verhoging in het landschap, die werd achtergelaten toen het landijs zich tienduizenden jaren geleden terugtrok naar het noorden.
Nu nog duidelijk te zien, Hemden, Aalten, Vragender, ook de Needse berg hoort erbij.

In 1882 komt Jan Gunnewick in Vragender en begint daar een windmolen.
Hij is geboren in het Reurlse Brook en werkte voordien op de molen van Beusink in Lievelde.
Het molenaarsvak zat hem in het bloed, al op jeugdige leeftijd werkt hij bij de molens van Groenlo en Eibergen.
Toen de Wijenborgs mlle op de Vragender es te koop was, werd hij de nieuwe eigenaar.

Het was een grondzeiler, niet erg hoog.
Dit was eerst nooit een probleem omdat de molen boven op de bult in Vragender geweldig vrij stond, er was eerst geen andere bebouwing in de buurt.
In het huis dat bij de molen gebouwd werd, was ook een bakkerij gevestigd.
Tot midden twintigste eeuw werd hier nog een oven gestookt met takkebossen.
Hier kun je nog een ouderwetse bakker bezig zien.

Langzamerhand werd de es van Vragender meer bebouwd, daardoor werd het moeilijker om op wind te draaien.
Er werd daarom een petroleummotor aangeschaft die de molen altijd kon laten draaien.

De Vier Winden in Vragender. Toen in de vijftiger jaren de oude grondzeiler dusdanig verouderd was reparatie zich niet loonde , werd er besloten een nieuwe molen te plaatsen.
Deze werd gebouwd van onderdelen van een uit 1869 daterende poldermolen van de Barnheemsterpolder bij Stedum in Groningen.
Veel van het maalwerk kwam uit de gesloopte molen van Sondag te Erp.
De wieken waren van de molen van Wijngaarden uit Lichtenvoorde.

Eerst werd er een stenen onderbouw van 10 meter hoogte gebouwd, op deze manier stond de molen weer een stuk vrijer in de wind dan de vorige grondzeiler.
In 1958 was de nieuwe molen klaar.
De totale hoogte van de molen met de wiek in de hoogste stand is 33 meter.
En maalstoel draait uitsluitend op de wind, de beide anderen worden elektrisch bediend.
Als bijzonderheid kan n maalstoel omgeschakeld worden naar windkracht.

Deze molen staat er niet alleen voor de sier, produkten van "de Vier Winden" zijn in de winkels van omliggende plaatsen te koop.
Ook heeft de molen zelf een winkel die meerdere dagen in de week geopend is.

Bronnen:Internet database.
Graafschapbode.
De Lichte-voorde.
Henk Hanselman.
De historie van Zieuwent.
De gemeente Lichtenvoorde 1815-2005.
Lichtenvoorde in oude ansichten.
De molen van Harreveld.
De Molenwereld.
Molens Mulders Meesters.
Diverse gesprekken onderweg.