Willem Sluyter
In 1671 schreef Willem Sluyter een boekje genaamd:
Vreugde en liefdezangen aan de gemeijnte J. Christi binnen en rondom in de buurten des kerspels van Eibergen.
Hierin krijgt men een goede indruk van het kerkelijk leven in die tijd.
Hij beschrijft lyrisch de streek en de mensen van zijn gemeente.

Als er van mijn poezie ooit wat nieuws ons kerspel doorgaat, is het allereeerst voor de burgerij van Eibergen, zowel in het Huis des Heeren als in uw huizen wens ik u met allen te verkeren.
Zit ik bij wintertijd overdag meestal eenzaam in mijn huis, niets verblijdt mij meer dan des avonds u op te zoeken.
Ben ik bij iemand wellicht den laatsten tijd niet geweest, verwacht mij zeker;ik vergeet niemand en elk krijgt zijn beurt.
In onze stad zijn echter zooveel vromen, dat ik met elken avond uit te gaan, niet rond kom.
Zooveel ik kan, bezoek ik des winters, want bij zomerdagen, als het akkerwerk roept,vind ik vaak niemand thuis.

Hoe vroolijk zijn mijn gangen, als ik laat in den avondstond langs de straat mijn eigen liederen tot Gods lof uit veel huizen hoor klinken.
Dat verzoet mij het leed, dat mij onschuldig soms van u overkomt.
Voor één, die mij bestrijdt, zijn er honderd, die mij verblijden.
Maar wat spreek ik van bestrijden?
Als ik bij u kom, is er niemand die niet blij is.

Overal ben ik welkom.
En als ik niet wat van u verdragen kon, was mijn liefde nog te klein.
Ik wil goed voor kwaad vergelden:Waar men nooit van Eibergen hoorde en niet wist, waar de Berkel stroomt, wil ik zijn naam en roem door mijn dichten verbreiden, zoodat het na honderd jaren, als wij er lang niet meer zijn, nog in gedachtenis zal wezen.
Herinner u eens, hoe ik u in den oorlogstijd mijn liefdesbrieven toezond en hoe innig we toen vereenigd waren.

Laat uw godsvrucht nooit verminderen.
Leeft toch vooral in liefde en vrede.
Zooals gij deur aan deur woont langs eene straat, woont zo in liefde bij elkander.
Herinner u, hoe het vaandel, dat de burgerjeugd zwaait langs de straat-zeker op kermismiddag- in goud gemaalt het opschrift draagt: Eendracht maakt macht.
En Jezus vredebanier verkondigt dat nog meer.
Bij de huislieden in de buurten vind ik zelden of nooit twisten, laat het hier ook zoo zijn. Des zondags stromen zij des voor- en des achtermiddags naar de kerk;laten zij, die er het naast bij wonen, niet de laatste zijn.
Burgers van deze plaats, gedraagt u als hemelburgers.


Gemeente in de buurt van Haarlo, al woont ge wat verder af dan de andere buurten, toch betoont gij uw herder veel liefde.
Als ik uw kapelleken nader, komt ge zonder klokgelui spoedig bijeen.
Het lijkt wel een kerk als daar mannen en vrouwen ter weerszij hun perk bezetten.
En ik spreek er zoo eenvoudig mogelijk, dat ieder mij begrijpt, u voedende met melk en niet met vaste spijzen.

Al is uw kerspelkerk wat ver af, voor gezonde en sterke menschen is dat geen bezwaar.
Langs zulk een liefelijken kerkweg kan men zoo goed alle aardsch gepeins verbannen en aan God denken, eenzaam of wel in gezelscjhap, zooals lang geleden de feestgangers naar Jeruzalem hun godgewijde vreugdezangen aanhieven.
In aardschen luister gaat gij alle buurten te boven.
Moogt gij ook in heiligheid en liefde uitblinken.


Mallum, waerdste nagebuuren
Die by ons ter kerken hoord,
Ik verheug my t'allen uuren
Om uw yver tot Gods woord:
Als de klokken u maer roepen,
Trekt gij, tegen 't laetst geluyd
In 't gemeen met heele troepen
Vrolyk en eenparig uyt.

's Achtermiddags komt gij weder, al brandt op de Mallemer Haer de zon en hebt gij op die dorre heide blad noch schaduw tot verdek, laat God uw zielverkwikking zijn.
Komt er bij wintertijden de zure, sture wind vinnig in het gezicht snijden, bedenkt dan, hoe eens een vreugdezomer zal aanbreken, die verdriet noch plagen kent.

Mallem, ik draag roem op u.
Bezoek ik soms iemand in uw buurt, dan komen de anderen van rondom bijeen, van achter en van voren de deuren in, begeerig om wat goeds van mij te hooren.
Als de boozen, die als klassen aan elkaar hangen, bijeenrotten tot wat kwaads, zouden dan niet de vromen ook te zamen komen in eensgezindheid tot betrachting van het goede.
Zoo wordt des Heeren rustdag, waarop mij meestal vergaderd zijn, ons een rechte zielen-lustdag.
Soms wordt het vrij laat, vooral, wanneer we ons met gezang vermaken, loopen de snikken van mijn uurwerk al te ras.
In een kring om het vuur gezeten, verlustigen we ons.

Maar wanneer wij 's zomers komen
Met meer volks en met mooy weer,
Onder schaduw van uw boomen,
Dat verheugd ons noch veel meer.

Zelfs de menschen uit grote steden getuigden, hoe aangenaam hun ons veldgezang klonk.
Om u met vermaak te stichten, zelfs als ik niet bij u ben, schenk ik u deze zangen.
Die wat meer bekwaamheid heeft, helpe de anderen.
Wie niet lezen kan, hoore; wie niet zingen kan, spreke.
Neemt dit boekje en gedenkt er mijner bij;

Denkt er mijner bij veel jaren,
Als ik lang al ben verrot.
Zeg dan somtijds: O, hoe waren
Wij te saem verheugd in God.


Zelfs uw nakomelingen, die nog niet geboren zijn, zullen zoo eens spreken en zingen van het mijne, totdat wij allen tezamen Gods lof zingen in de hemelsche gemeente.


Olden-Eiberg, wie kan weten, of gij zoo heet, omdat daar weleer de kerk en de straten gebouwd waren?
Hebt dan ook de oude en eerste liefde.
Olden-Eiberg, u bemin ik, want uw ijver neemt al toe.
Uw kerkgang is nabij en gaat langs een vermakelijken weg, hard en effen als een deel.

Voor u rijst de zon in het oosten als een bruidegom die uit zijn kamer komt.
De Berkel komt u tegenvloeien en nooit keert zijn water terug in den loop; volhardt ook gij zoo in uw streven naar God.
Herhaalt met elkander onderweg, wat de leeraar tot u sprak.
Wordt niet mismoedig, als u op den hoogen oever de wind om de ooren blaast, maar pas op, dat hij u alles niet uit het hoofd waait.

Wanneer ik in uw buurt kom en wij in een huis of schaduw der boomen neerzitten, komt dan allen bij elkander uit uw beide kluften van de rechter- en van de linkerzijde (van de Berkel).
Brengt eens mee, wie nog geen lust had, misschien bevalt het hem zo goed, dat hij vaker komt.


Op 't Loo.
Mijn hart verlangt vol liefde naar uw klein gehucht.
Hoe vaak, te midden van al de drukte en ijdelheid der grote steden, dacht ik met heimwee aan den Looschen Brink,waar we onder het blauwe hemeldak vroolijk zongen.
Kleine vogels, kleine nesten.
God geeft elk zijn bescheiden deel.

Brengt maar vruchten voort van geloof en liefde en weest niet als dorre bomen, die op uw Brink staan, maar als een frissche boom aan den oever der Berkel.
Als gij uit de kerk komt, laat dan het gehoorde niet vervloeien, zoals door de sluizen, waar gij over moet, dat immer maar doorbruist.


Hupsel, houd u hups en cierlijk.
Door't woest en eenzaam heideveld leidt uw kerkgang, waar ge in stilte met God kunt verkeeren en bidden, war geen mensch u ziet en hoort, zooals ook de Heiland vaak deed.
Al woont ge ver van de kerk, schikt het toch, dat ge er ook 's achtermiddags komt en spoed u zoo van den disch weg, om u te voeden met hemelsche kost.
't Is mijn lust, u somstijd te bezoeken.

Maar als de dagen korten, het weer koud en winderig wordt en de wegen vuil, kan ik na mijn taak in de kerk niet meer bij u komen.
Al ben ik zelf niet bang, mijn gezelschap vreest, dat de avond ons zal overvallen.
Komt echter de zoete tijd weer aan, dan gaat gij vóór de anderen.
Verzamelt u dan, als in de andere buurten, dat we met elkaar vrolijk zijn.
En neemt nu mijn boekjes in dank aan.
Is er onder u iemand, die ze lezen kan, gaat bij hem op de bank zitten en luistert.
Kunt ge zingen, zingt dan met elkaar, al is uw stem niet zoo mooi:God let op uw goede meening.


Holterhoek, hoe klein ge zijt, 'k zing u mee een liedje toe.
Als ik in uw buurt iemand bezoek, komen de anderen er ook, al zijn 't er maar twee of drie.
Wat gij zelf niet begrijpt, zal de jeugd uit onze stad u wel uitleggen, als wij komen.
Want 't is een lust, om te zien, hoe ze ook uit andere buurten bij u verschijnen.

Stoelen, banken, ladders worden inderhaast tot gezit geplaatst.
Gaat gij zoo eens elders heen, als er een bijeenkomst is.
Vergeet vooral de kerk niet.
Jezus roept u.
Zijt gij maar klein, Holterhoekje; een geringe stand in vrede buiten op het land is beter dan een hooge staat.


En zo gaat het verhaal nog verder, spoedig zal alles veranderen, het is nu 1671 en het rampjaar staat voor de deur.
Ook in deze streek zal het een echt rampjaar worden.

Bron:
Willem Sluyter van Eibergen.
Beelden uit het Achterhoeks leven in de 17e eeuw.
W.H. Heuvel 1919.