Het onderstaande verhaal is geschreven door Tonny te Loo uit Bredevoort.

Achter me begon mijn vader te hijgen-de Samson Halfzware Shag sprak een woordje mee-toen we met de beklimming van de Ringweg begonnen.
Ik klemde mijn beide handen vast aan het stuur en probeerde even het knellende zadeltje te vergeten dat op zijn fietsstang was bevestigd.
Zijn gepuf maakte me er op attent dat we de drie attracties naderden, waar hij ons bijna elke zondagmiddag, op weg naar opa en oma langstrapte.

De glijbaan van 't Noorden Ten eerste de Watertoren, die staat er nu nog met een harige kruin vol antennes en schotels.
Ten tweede de grote stalen glijbaan van 't Noorden, die veel indruk op me maakte en die nu verdwenen is.
Met zijn steil omhooglopende trap tartte hij elk hedendaags begrip van veilig speeltuintoestel.
Zittend op mijn zadeltje keek ik bewonderend opzij naar de waaghalzen, die deze reus beklommen met een groezelig stukje tapijt onder hun arm geklemd voor de extra glijsnelheid.

Pas enkele jaren later beklom ik zelf voor de eerste keer de treden van de glijbaan met in mijn rug de beschermende handen van een ouder nichtje.
Met een hol gevoel in mijn maag en met trillende benen bereikte ik de plek waarvandaan een glanzende ijzeren buis naar beneden liep.
De glijbaan van 't Noorden Ik klemde me krampachtig aan de randen vast, terwijl achter me de rij met ongeduldige kinderen aanzwol.
Eindelijk sloeg mijn nichtje haar armen om mijn middel en zittend tussen haar benen landde ik enkele seconden later in het rulle zand van de kuil, die ontstaan was door generaties kinderen, die hier hun dapperheid getoond hadden.
Mijn flesje Groli smaakte nog nooit zo lekker.

De derde attractie was de vierkante, grijze, betonnen toren, die nog wel de meeste indruk op me maakte.
Door de holle gaten kijkend zag ik een trap naar boven lopen.
Nu zou ik deze sombere constructie vergelijken met een bouwwerk in Kabul na een bombardement.

De toren die tussen 't Noorden en de Watertoren, vlakbij de vuilnisbelt stond, was het symbool van de Koude Oorlog.
Vader noemde het "de Luchtmachttoren".
Soms zag ik er mannen lopen in een uniform dat dezelfde kleur had als hun toren; betonmannetjes leken het.

Ik stelde me voor dat ze vanuit hun toren de hemel afspeurden naar Russische straaljagers.
Als ze een MIG zagen, die ons luchtruim schond, dan zouden ze ogenblikkelijk onze luchtmacht waarschuwen, die hen dan wel mores zou leren.
Helden waren het in mijn ogen en elke nacht waakten ze over me.

Jaren later heb ik met vriendjes deze toren eens stiekem beklommen, over de roestige treden en langs de door betonrot aangetaste muren.
Het uitzicht viel tegen.
Een van ons bedacht dat een MIG al boven Amsterdam zou zijn voordat het telefoontje uit Aalten onze luchtmacht zou bereiken.
De grijsgeklede helden van vroeger werden lachwekkende figuranten in een bizar toneelstuk.

De "luchtmachttoren" is jaren geleden gesloopt en steeds minder mensen herinneren zich dit bouwwerk, dat een grijs symbool was uit een tijdperk van "zwart-wit denken".


Dit bleef er over anno 2004.


Vader kwam weer op adem en dat was voor mij het ultieme moment te gaan zeuren om een ijsje.
Helaas was dat een verboden artikel op zondag.


Met toestemming van Tonny te Loo,
schrijver van het boek "De Twaalf Apostelen"
en achtendertig andere verhalen.

ISBN90-70017-76-8 NUR 303