"Achtmiljard,dreehonderzevvenenviftig millioen, zeshonderdtweeentwintig doezend, neggen honderd en zestig mark.
En a'k dat noo vermenigvuldige met zestig cent, dan kom ik an vief miljard, veertien millioen viefhonderddree en zeventig doezend zevven honderd zes en zevventig gulden!
Dat is ne smak geld", zegt Hendrik.
Hij likt nog een keer aan het potloodje en zet er dan een dikke streep onder.
"Punt" zegt hij er dan nog achteraan.

"Dat WAS ne smak geld, bedoel i'j" zegt z'n vrouw Mina, "en leg dat potleudeken astebleef waer veur den bozem!
A'k dan volgende waeke de winkelwaar wil opschrieven dan wet ik teminsten waor 't is.
En dee doezend mark uut den biebel moj der ok nog bi'j tellen", zegt ze er meesmuilend achteraan, "want daor is't allemaole met begonnen!"
Ja, het briefje van duizend mark dat hij al jaren in de bijbel heeft liggen, daar is het mee begonnen!

Hendrik weet er alles van.
Bij Mattheus 6, vers 19, daar ligt het:
"Verzamelt U geen schatten op aarde, waar mot en roest ze ontoonbaar maakt en waar dieven inbreken en stelem; maar verzamelt U schatten in de"..
Mina heeft hem vaak met die tekst om de oren geslagen als hij weer eens met dat verrekte Duitse geld thuiskwam..."want waar uw schat is zal uw hart zijn..."

Ja, met dat briefje van duizend mark was het begonnen.
Hendrik en Mina hadden niet zo'n groot boerderijtje.
Maar Hendrik had alles aangepakt waarmee hij wat extra's kon verdienen.
Met de dorsmolen mee in de winter, in het voorjaar de fietspaden in orde maken, soms helpen ergens een stukje ontginnen, soms ruimen voor het waterschap...van alles!.
Mina deed dan het werk wel op het boerderijtje en Hendrik ging er dan op uit om wat bij te verdienen.

Alles had hij al gedaan; nou ja, behalve smokkelen.
Niet dat hij zich daar te goed voor voelde, maar het was niks voor hem.
Hij was er toch niet geschikt voor, ofschoon hij vlak aan de grens woonde.
Jan Hoitink, de Eunkse jongen die veel eieren smokkelde had hem een keer meegevraagd.
Hij was er in de schemer aangekomen en had gevraagd of hij straks even mee kon gaan wat eieren wegbrengen.
Hij betaalde goed en daarom had hij het beloofd.

Hij was ook meegeweest, maar toen hij het eerste woord "Halt"van de douaniers had gehoord, had hij de eieren al laten vallen en was stokstijf blijven staan.
En uitgerekend de Duitse douaneman die altijd een praatje met hem maakte als hij op het land bezig was, had hen aangehouden.
"Mein Gott Heinrich bust du dat"had hij gezegd, "Maket maor gauw das du bi'j diene Mina kumst", en meteen was hij doorgelopen.
Hendrik had z'n raad maar gauw opgevolgd.

Hoitink was niet zo best te spreken geweest natuurlijk.
Hij was de eieren kwijt en had niets verdiend.
Hendrik ook niet natuurlijk.
Dat was z'n enige ervaring met de smokkelarij.
Ze hadden hem nooit weer gevraagd.
Hendrik was er niet rouwig om, 't was toch niet wat voor hem.

Enige jaren geleden had Hendrik 32 eiken verkocht aan te Kulve, de radmaker achter uit het Woold, voor twintig gulden per stuk.
De eiken had Achterholder, zoals hij genoemd werd, geleidelijk aan weggehaald.
Na de laatste eik had hij tegen Hendrik gezegd dat hij het geld maar een keer op moest halen. Op een avond was hij ernaar toegestapt.

Na een lang praatje en de nodige koffie was te Kulve met het geld voor de dag gekomen: 640 gulden!
"Of", had hij gezegd, "woj lever doezend mark hebben, dee he'k der ok nog wal liggen".
De mark was altijd 64 cent waard geweest en het was dus evenveel.
Misschien was het gekomen door het magische getal duizend, dat zo mooi klonk, Hendrik had gekozen voor de duizend mark.

Met de hand op z'n binnenzak was hij ermee naar huis gefietst.
"Potstausend, doezend mark, dat was toch neet niks.
Een brandkast had hij natuurlijk niet, dus waar bewaarde hij dat mooie briefje?
Toen had hij het in de bijbel gelegd.
De bijbel werd zo weer tussen de paar andere boeken die ze hadden, geschoven.
Geen inbreker die erover zou denken dat in de bijbel wel eens geld kon liggen.
Je bracht toen het geld nog niet naar een bank.
En zolang ze het nog niet nodig hadden, kon het daar goed liggen.

Maandenlang bleef het daar.
Totdat hij er een keer mee betalen wilde.
Piet Streek, de molenaar, had wat gelachen, toen hij ermee voor de dag kwam.
"Jaa, dat zoj wal willen, dat dinge is gin 500 gulden meer weerd!"
Geen 500 gulden?
Honderveertig gulden minder dan dat het eerst waard was geweest?

Hendrik was er nog mee naar een bank gegaan om te horen wat hij er daar voor kon krijgen, maar daar gaven ze vast niet meer als waar Piet Streek over gepraat had.
Ze hadden hem geadviseerd het maar te bewaren in de hoop dat het weer op z'n oude waarde terug zou komen.
Misschien werd het wel een keer 700 gulden waard.
Zevenhonderd gulden??.
Dan had hij zestig gulden verdiend.

Zo was het briefje weer op z'n oude plaats terug gekomen.
Maar de mark werd steeds minder waard.
De volgende dag was hij weer met Duits geld thuis gekomen.
Voor 45 cent per mark.
Als de mark ooit weer eens zestig of misschien wel 70 cent waard werd, had hij goed verdiend.

En van toen af aan had hij elke cent die hij kon missen omgezet in Duits geld.
Eens zou het toch wel z'n oude waarde terug krijgen.
Telkens kwam hij thuis met meer geld, want voor z'n Hollandse gulden kreeg hij steeds meer marken.
Het duurde niet lang of hij kreeg voor een gulden al 100 mark.
Hij had nog een gouden 20 markstuk liggen; daar kreeg hij bij de bank maar eventjes 1500 mark voor.

Alles werd secuur opgeborgen in de onderste lade van het kabinet.
Eerst nog onder de kleren die erin lagen verstopt, maar geleidelijk had het geld meer en meer plaats nodig.
Alleen het eerste briefje van duizend bleef in de bijbel liggen.
Mina had ontdekt dat hij het net bij Mattheus 6 gelegd haden ze had natuurlijk niet kunnen laten hem de tekst voor te lezen: "Verzamelt U geen schatten op..."

Mina was lang niet zo christelijk opgevoed als Hendrik.
In hun eerste verkeringstijd had dat haast nog problemen gegeven.
De familie had het Hendrik kwalijk genomen dat hij geen meisje gezocht had in eigen kring.
Een tante van hem had Mina gevraagd: "O, i'j hebt wisse nao de openbaare schole e'gaone.."
Feilloos had Mina begrepen waar e'm de schoen wrong en had bits geantwoord:Ak neet fien genog bunne veur de familie, dan moj't maor zeggen!!"
Iedereen had geschrokken opgekeken, maar Hendrik's vader was in een daverende lach geschoten en dat had het dreigende onweer meteen verdreven.
"Ha ha ha", had hij gezegd, "Daor kan't tante Naatje good met doon.
Mina laot ow neet opdreajen deur dee olde tantes".

Later was er nooit meer over gepraat, maar Mina kon later, ook toen ze allang getrouwd waren, niet laten om Hendrik allerhande bijbelteksten voor te kauwen als het zo te pas kwam.
Iets wat Hendrik niet altijd even leuk vond.
En nu lag het briefje net bij deze bijbeltekst.
't Was net of de duivel er de hand in gehad had.
Maar al werden Mina's protesten steeds heftiger, Hendrik verzamelde steeds meer Duits geld.

Tenleste kwam hij met fietstassen vol tegelijk thuis.
En de lade werd steeds voller...
Maar op den duur begon ook Hendriks geloof in het Duitse geld te tanen.
Het werd te gek.

Duitse Marken. De Duitse boeren over de grens kregen 3500 mark voor een liter melk.
Er waren al bankbiljetten van een millioen mark.
Willem Schievers de houthandelaar had enkele jaren geleden van een Duitse boer een heel dennenbos gekocht voor 200.000 mark.
Betalen hoefde je pas als de laatste bomen weg waren.
De mark was intussen zo gezakt dat hij het hele bos met de opbrengst van de laatste drie dennen had kunnen betalen.
Nou, zo kon iedereen rijk worden.

Bij een buurman hadden ze een brief gekregen uit Essen, beplakt met 40 postzegels met een gezamelijke waarde van milliarden marken.
Men vertelde dat Flender in Bocholt de mensen 's middags om half twaalf het geld uitbetaalde wat ze 's morgens verdiend hadden.
Ze gingen er dan onmiddellijk wat voor kopen, want 's avonds was het zeker minder waard.
Hendriks Duitse buurman had een zak zaairogge gekocht voor 5 millioen mark.
Schut, de geldhandelaar in Winterswijk, had het Duitse geld met zakken vol in de schuur staan, vertelde men.
Het werd hoe langer hoe gekker.

Als laatste kocht Hendrik, ofschoon hij er al niet meer in geloofde, een bankbiljet van 1 milliard mark voor twee kwartjes!
Toen was het spoedig afgelopen.
Het Duitse geld was niets meer waard!
Helemaal niets.

Eerst had Mina hem nog geregeld die bijbeltekst onder de neus gewreven: "Verzamelt U geen schatten..."
Maar het was natuurlijk niet leuk meer geweest.
Het was een verschrikkelijke schadepost.
Drie jaar lang had Hendrik iedere cent, die hij missen kon omgezet in, nu waardeloos, Duits geld. Inderdaad, het was "ne smak geld!"

Dagenlang had Hendrik zitten piekeren en zichzelf verwijten zitten maken, totdat Mina hem gezegd had dat hij er nu een punt achter moest zetten.
Potverdorie, het was nu genoeg geweest.
Ze zouden waarachtig de strop wel te boven komen.
Ze waren beiden gezond en sterk en waren niet bang om hard te werken.

En nu had hij nog een keer al het geld nageteld en het meteen in een grote jutezak gestopt om er morgen de brand in te steken.
"Achtmiljard,dreehonderzevvenenviftig millioen, zeshonderdtweeentwintig doezend, neggen honderd en zestig mark."
Dat allemaal in een grote jutezak!
Alleen het eerste briefje van duizend bleef in de bijbel liggen!

Dertig jaar later hebben we bankbiljetten nodig voor een toneelstuk en ik vraag de inmiddels oud geworden Hendrik of hij nog van dat oude Duitse geld heeft...
Dan vertelt hij mij het hele verhaal.
"Ik had der ne besten lappen grond veur konnen kopen".
Maar hij is de narigheid vlot te boven gekomen.
Lachend pakt hij de oude bijbel en geeft mij het briefje van duizend mark.
"Dit breefken is ut,"en 't lig altied nog b'j Mattheus zesse:
Verzamelt u geen schatten....

Met toestemming van:Willem Wilterdink, Hulzer Willem.