Het wegen van de broden.
Net op de grens van Hengelo en Zelhem stond lange tijd geleden een standerdmolen die Olde Kaste genoemd werd.
Het muldershuis staat er nog steeds.
Al in het midden van de zestiende eeuw werd er beslist dat er door de boeren in de markegronden van Dunsborg en 't Gooy plaggen gestoken mocht worden.
Ze waren dan verplicht om één maal per jaar een roggebrood voor de armen af te leveren.

De Hengelose en Zelhemse boeren deden dit eerst apart, maar later werden de broden gezamelijk bij de Muldersfluite gebracht.
Dit gebeurde dan altijd op hemelvaartsdag.
De broden moesten wel een minimumgewicht hebben van 22 pond.
Daar werd door de notabelen streng op gecontroleerd, voor een brood dat te licht werd bevonden moest men een boete betalen.

Dit kwam in de praktijk weinig voor, omdat de boeren natuurlijk wilden laten zien hoe goed het ging en hoeveel ze voor de anderen overhadden.
De broden bereikten respectabele afmetingen! Degene die het zwaarste brood inleverde kreeg twee flessen witte wijn, niet inleveren van het brood betekende dat het volgende jaar een dubbele leverantie verwacht werd.
De broden werden niet door de deur naar binnen gebracht, maar moesten via het opkamer aangeleverd worden.

Het uitreiken van de broden aan de armen werd door de gevers aangegrepen om er een feestdag van te maken, het werd een kermis (fluite) bij de molen (mulder).
In 1844 wordt er in de Gelderse Volksalmanak nog in positieve zin over het feest geschreven ;Alles verloopt vreedzaam en bacchanaliën als op andere kermissen komen er niet voor.
Deze traditie is tot op de dag van heden volgehouden, gelukkig zijn er geen armen meer die het brood ophalen.
De broden worden verkocht en de opbrengst is voor het goede doel.

Lees hier meer.