De Varenhorst Mölle.

De standerdmolen op de Needse berg. Op de plek waar nu de molen van Neede hoog boven alles uitkijkt, stond al honderden jaren lang een zogenaamde standerdmolen.
De eerste keer dat er over een molen in Neede iets op papier gevonden is, is in het pachtregister van de " Hof Neede" uit 1598, ...Ein Stuck landes gelegen an der windmollen...
En in 1646 in het verpondingscohier, ..Die Windemullers huys in pacht van Jan Pastoor...
In dat jaar is de Heer van Bronckhorst de eigenaar van de molen, hij verpacht de molen voor 400 gulden.

In 1727 wordt de hele heerlijkheid Borculo verkocht, dus ook de molen verandert van eigenaar.
Vijftig jaar later komt Borculo in het bezit van stadhouder Willem de vijfde.
Wanneer deze in de Franse tijd de wijk neemt naar Engeland vervalt alles aan de domeinen.
Alle oude en feodale rechten worden vervallen verklaard, er heerst vrijheid, gelijkheid en broederschap.

Mulders in die tijd waren onder andere: Hartgerink, Neck en Peters.
Begin 1800 wordt ook het mulderhuis naast de molen gebouwd.
Van Peters gaat het verhaal dat hij niet bang was voor inbrekers of zo, zonder aarzelen schoot hij met scherp op mensen die naar zijn mening zich nogal verdacht ophielden bij de molen.

Waarschijnlijk rond 1830 neemt Willem Varenhorst uit Lochem de molen over van de domeinen.
Hij kwam van de watermolen uit Lochem.
Vanaf dat moment zullen vier generaties Varenhorst op de molen blijven.

Hendrik (de olde) Varenhorst gunde zich geen tijd om thuis warm te eten, zijn vrouw hing een pannetje met eten aan de nek van de hond, die dan naar de molen liep.
Als beloning mocht de hond het pannetje uitlikken.

Op 10 augustus 1925 ontwikkelde zich een windhoos die Borculo bijna kompleet vernield.
Ook de molen op de Needse berg ontkwam niet.
In korte tijd werd de molen dusdanig vernield, dat er van reparatie geen sprake kon zijn.
Na eeuwen zijn werk te hebben gedaan kwam er een einde aan de standerdmolen op de Needse berg.





De Hollandsche Molen op de Needse berg.

De Hollandsche molen op de Needse berg. Na de stormramp in 1925 werd de opbouw weer snel onder handen genomen.
In 1923 was er een vereniging "de Hollandsche Molen" opgericht en deze ging samen met het nationaal steuncomite " Stormramp" de molen in Neede weer opbouwen.
Men besloot om de verouderde standerdmolen niet meer te herplaatsen, maar daarvoor in de plaats een stenen stellingmolen te nemen.

De bouwvergunning kreeg men op 9 juni 1926, de kosten werden geraamd op 18.000 gulden.
Het werd een ontwerp van de gebroeders Dekker en de uitvoering was in handen van de Needse aannemer ten Hoopen.
Een half jaar, in januari, was de molen weer bedrijfsklaar.
Twee gedenkstenen werden erin gemetseld, op de ene wordt gewezen op de stormramp:

Door haar die op den wind vertrouwt,
al sloeg de wind mij al te boud,
kreeg ik een tweede leven:
Mijn romp die vroeger was van hout,
heeft zij van steen weer opgebouwd
en mij haar naam gegeven.

De naam werd "de Hollandsche Molen", net als de vereniging die deze herbouw mede mogelijk maakte.
De eerste pachter werd Hendrik Jan Varenhorst, het vierde geslacht van deze familie op de Needse molen.
Het duurde niet lang, in 1928 gingen de gebroeders Varenhorst elders naar het dorp, pachter werd toen Rensink.
Na een jaar hield ook hij ermee op, in de jaren daarna werd de molen niet meer gebruikt.

De molen raakte in verval, in 1943 werd de gemeente Neede eigenaar van de molen.
Begin vijftiger jaren wordt de molen gerestaureerd door ten Have uit Vorden.
Stortelder uit Neede huurt de molen en gebruikt deze als houtzaagmolen.

In 1969 staat de molen weer werkeloos en raakt opnieuw danig in verval.
Vijf jaar later is de molen weer in orde gemaakt, ditmaal door Beckers uit Bredevoort.
In 1976 is de molen ook weer maalvaardig, wanneer de molenstenen weer geplaatst worden.
De molen is momenteel in uitstekende staat en een geweldige blikvanger voor Neede.

















De molen van Schoonhoven.

De molen van Schoonhoven in het Spilbroek. Augustus 1901 geeft Peter van Schoonhoven zijn baan in Deventer op en verhuist naar Neede.
Daar heeft hij van ten Hoopen een stuk grond gekocht, dichtbij de spoorbaan, hij laat daar een standerdmolen plaatsen.
Deze had hij in onderdelen in Duitsland gekocht.
De molen had zelfs een naam, dat was voor een standerdmolen niet zo gewoon.
De naam van de molen was Paul Krüger.

Het onderstel was eerst met planken afgedekt, maar al gauw werd er een stenen bergplaats onder de molen gemaakt.
Lang gingen de zaken niet goed, al in december 1905 werd van Schoonhoven failliet verklaard.
De ongunstige ligging van zijn molen ten opzichte van de molen op de berg zou een oorzaak kunnen zijn.
Precies een jaar later werd de molen publiekelijk verkocht.

Hendrik Jan Vunderink uit Eibergen werd de nieuwe eigenaar.
Uitgezonderd van de koop waren: een bascule met gewichten, een schepper, twee lampen en een vat teer.
Na Vunderinks overlijden verkoopt zijn weduwe de molen aan Gerrit Jan Vruwink, landbouwer uit Noordijk.
Rond 1920 wordt de molen tijdens een storm vernield.
Vervolgens wordt alles gesloopt en opgeruimd, niets herinnert meer aan de plek waar ooit de windkorenmolen "op den Bleeckenesch" stond.

















De Hövinksmölle in Rietmolen.

De Hovinksmolle in Rietmolen. Het erve Havink ligt nog net in de gemeente Neede, tegen de grens met Overijssel aan.
Al in 1393 wordt dit goed vermeld.
Derk Havink huwde op 16 mei 1840 op huwelijkse voorwaarden met Johanna Esseling.
Door een trap van zijn paard stierf hij op 41 jarige leeftijd, zijn weduwe hertrouwde met Hermanneke Tenhagen.

Toen ook zij overleed, in 1869, vond er een boedelscheiding plaats tussen Tenhagen en de kinderen uit het eerste huwlijk.
Uit het tweede huwelijk werd onder meer nagelaten:
- windkoren- pelmolen onder Neede, sectie F 147, totaal 0.10.90 hectare.
De molen stond er dus vóór 1869, in 1862 had zich een bakker in Rietmolen gevestigd, daardoor kun je aannemen dat er in dat jaar ook al een molen stond.
De vestiging van een bakker zonder een molen in de omgeving zou nogal zinloos zijn geweest.

De molen was van het type bovenkruier, een beltmolen.
De hoogte was ongeveer 18 meter.

In 1913 krijgt Tenhagen een vergunning voor het oprichten van een korenmolen met machinekamer.
Deze zou naast de bestaande windmolen geplaatst worden.
In 1922 doet hij nog een aanvraag voor het verplaatsen van een motor in en het verrichtten van de daarvoor noodzakelijke verbouwing aan de voormalige windkorenmolen te Broeken.
Omdat het hier over een voormalige molen gaat kunnen we concluderen dat de molen tussen 1913 en 1922 verdwenen is.

Dhr. G.J. Roerdink, die van 1920 tot 1922 knecht was op erve Havink, vertelde dat op het moment toen hij als knecht werd aangenomen de wieken reeds van de molen afgehaald waren.
De reden hiervoor was dat de oude houten molenas gebreken vertoonde en vervangen zou worden door een gietijzeren as.
De gietijzeren as werd in Borne gekocht en met paard en wagen naar Rietmolen gehaald.
Het bleek echter niet mogelijk de zware, stalen as op haar plaats te krijgen en men heeft verder afgezien van heringebruikneming van de molen.

De romp deed nog lang dienst als opslagplaats, in de deriger jaren werden de stenen gebruikt voor de verbouw van de woningen van de kinderen van Tenhagen.
Het zand van de molenbelt werd later gebruikt bij de aanleg van de Borgsteeg in Rietmolen.
Van de molen is thans niets weer te vinden, slechts enkele veldnamen van Havink herinneren nog aan de molen te Rietmolen, namelijk Mulderskamp, Bakkersveld en Muldersveld.

















Watermolens in Neede.

Over watermolens in Neede is weinig bekend.
In 1848 schrijft Staring over het gebied beneden de Rietmolenbrug:
Kon men hier van het stuwregt van den weggeruimden Rietmolen gebruik maken, zoo was dit vloeijen nog oneindig beter, en op grooter schaal in te rigten dan thans.
Hij was dus anderhalve eeuw geleden nog bekend met het feit dat er ergens een molen had gestaan.

Voor de eerste keer duikt de naam Rietmolen op in 1441, als Goossen ter Rietmolen een erve en goed geheten die Honte in leen ontvangt.
Op kaarten uit 1630-1640 staat de molen al niet meer getekend.
Verder zijn er geen gegevens over deze watermolen.


Aan de Bolksbeek ligt het erve Wenninkmolen.
In de goederenlijst van de graaf van Dale uit 1188 komt deze naam al voor.
In 1419 vinden we nog een vermelding, to Nede Wenninchmole...

Nog in het midden van de vorige eeuw wist een bewoner door overlevering dat er een watermolen gestaan had, een paar honder meter stroomafwaarts.
De preciese plek was niet meer bekend.

Het zou kunnen zijn dat deze molen verdwenen is toen de Borculose molen gebouwd werd.
Het water dat daarvoor nodig was, werd geregeld bij de Avinksluis.
Dat ging dan natuurlijk ten koste van de hoeveelheid water in de Bolksbeek.

















De molen in Noordijk.

De molen in Noordijk. Rond 1855 laat Herman Bos een molen bouwen in Noordijk.
Bos was al molenaar op de molen in Usselo, hij liet de molen in Noordijk neerzetten voor zijn zoon Hermanus.
Op 1 november 1856 draaide de molen voor het eerst, men was nu niet meer afhankelijk van de molens in Neede.

Hermanus stierf al jong, hij was pas 26 jaar, zijn weduwe hertrouwde met zijn broer Albert.
Deze wordt ook niet erg oud, dan komt de zoon van Herman, die ook Herman heet op jonge leeftijd al op de molen.
Deze Herman was technisch aangelegd, hij bouwde onder andere een bilmachine.
Deze kwam hem goed van pas bij het billen (maken van sleuven in de molenstenen), een inspannend en tijdrovend werk.

Diverse keren werd de molen door de bliksem getroffen, maar het liep meestal goed af.
In maart 1892 was de schade groter, tijdens een storm kwam de hele kap naar beneden.
De knecht die in de molen aan het werk was kreeg gelukkig niets mee.

Mei 1908 zet zoon Hermannus het bedrijf alleen voort.
Als molenknecht is er dan Willem Poelert die net tegenover de molen woont.
Ook Hermannus is niet sterk, hij krijgt tbc.
Hij kan daardoor natuurlijk niet meer werken, om de tijd te doden wordt hij erg bekwaam in het schieten met de windbuks.
Dat hij daarvoor onder andere de petten en hoeden van mensen gebruikte, heeft veel indruk gemaakt in Noordijk.

Nadat hij op 24 jarige leeftijd overlijdt, wordt de molen verkocht aan de Coöperatieve aan- en verkoopvereniging Noordijk.
Van september 1912 tot maart 1925 gebruikte deze vereniging de molen.
Na 1925 gebruikte men een elektrisch aangedreven molen bij het station in Noordijk.

De as van de molen werd verkocht aan de gebroeders Tieskens uit Deventer.
De romp bleef nog enige tijd staan, totdat deze in 1935 werd verkocht aan de Nederlandse Heidemaatschappij.
Deze liet de molen slopen, het puin werd gebruikt bij diverse waterwerken.


















De Markveldse watermolen.

De watermolen bij Markveld. Al vroeg in de dertiende eeuw is er sprake van een molen in Markveld.
Paus Alexander beschrijft dan twee huizen in de parochie van Neede, Beneringh en Ripinch, met de molen en al hun toebehoren.
Het was toen eigendom van het klooster Ter Hunnepe.
Midden veertiende eeuw woont Claas Goosssens tot het Monnikhuis op de molen.

Over deze molen is veel op papier gekomen, er waren veel problemen met de waterhuishouding en de stuwrechten.
Dit blijft eeuwenlang een twistpunt.
Op 20 november 1565 vindt er een rechtszitting plaats omdat bewoners van Lochuizen de schutten van de molen getrokken hadden.
Voor de zekerheid hadden ze ook nog de dijk van de Elsbeek doorgestoken.

De Lochuizers claimden het recht de schutten op te trekken vanaf St. Geertruid (17 maart) tot aan St. Lambertsdag (17 september).
Eindeloos lang zou dit een twistpunt blijven.
Meerder keren in de zeventiende eeuw, en in 1760 wordt er een langdurig proces over gevoerd.
De rentmeester merkt over dit proces op, dat er zo'n groot aantal advocaten opgetrommeld zijn, dat de kosten van deze heren door hun " exorbitante declaratien" wel eens zo hoog konden zijn dat deze niet opgebracht konden worden.
Sommige dingen veranderen de eeuwen door niet!

De Lochuizers werden in het gelijk gesteld, ze mochten in het voorjaar de schutten trekken.
De molenaar wist dit soms te omzeilen, wanneer de Lochuizers kwamen onthaalde hij ze op een flinke borrel.
Soms liep de gezelligheid dusdanig op dat de Lochuizers niet meer instaat waren de schutten weg te halen, of dit domweg vergaten.
In dat geval hadden ze hun recht voor dat jaar verspeeld.
Geen boerenslimheid maar molenaarsslimheid.

In 1842 is er nog groot trammelant omdat de molenaar meerdere keren de schutten weer plaatst in de verboden tijd.
In 1847 schrijft Staring dat de molen één rad heeft met een diameter van bijna 5 el.
Er werd beweerd dat deze molen de dubbele opbrengst had ten opzichte van de molen in Diepenheim.

Later gaan de rechten over op de gemeente Neede die alles zeer officieel afhandelt.
In 1900 wordt het onderstaande proces verbaal gemaakt:

Heden, St. Geertruidsdag, zeventien maart negentienhonderd, hebben wij, Arent Jan Maatmans en Gerrit Jan van Lochem, gemeente- en onbezoldigd rijksveldwachters, gestationeerd en wonende te Neede, ingevolge van lastgeving van Burgemeester en Wethouders van Neede, de dato heden, ons begeven naar den Markveldschen watermolen, teneinde aldaar, volgens oud gebruik en recht, toekomende aan de bewoners van de Mark te Lochuizen, welk recht bij de ontbinding der Mark is overgegaan op de gemeente Neede, twee vloedschutten op te trekken, daar het water niet mag worden opgestuwd gedurende de zomermaanden tot St. Lambertsdag (17 september).
Aan gezegden molen gekomen, hebben wij met behulp van Herman Houwers, molenaar op voormelden watermolen, die bij ons kwam, de twee vloeedschutten eruit getrokken, waardoor het water wegliep.
Hierna hebben wij genoemde schutten op Needschen grond gelegd.
Vervolgens hebben wij ons, eveneens op voormelden last, begeven naar de woning van Arent Jan Wormgoor, timmerman wonende op de erve "de Krebber", in den Noordijk, onder deze gemeente, zijnde de tegenwoordige eigenaar van het tusschen de Schipbeek en de Krebbersgoot gelegen perceel weiland, kadastraal bekend gemeente Neede, sectie A No. 5.
De vrouw van Arent Jan Wormgoor, Arendina Koier, troffen wij in de woning aan en zij verklaarde ons, het oude recht te erkennen, dat, indien de bewoners der buurtschap Lochuizen, gemeente Neede last hebben van vloedwater, de eigenaar van voormeld perceel alsdan zal moeten gedoogen, dat het water van St Geertruidsdag tot St. Lambertsdag uit de Schipbeek wordt afgevoerd over voormeld perceel (secte A No. 5) in de Krebbersgoot.
Hiervan is opgemaakt dit proces-verbaal op den eed bij de aanvaarding onzer bediening afgelegd.

(get.) A.J. Maatmans
(get.) G.J. van Lochem

Kort daarna komt het eind van deze molen.
Bij de verbetering van de Buurserbeek wordt de molen verwijderd.
Hoewel de toenmalige eigenaar ten Hoopen eerst nog tegenwerkt wordt de molen in 1911 gesloopt.

Bron: Hagens, Molens Mulders Meesters
Internet database verdwenen molens.
Warken met wind, historische kring Neede.
Diverse gesprekken onderweg.