De zwarte dood De pest, de zwarte dood, sloeg in het midden van de veertiende eeuw hard toe.
In vijf jaar tijds stierven 25 miljoen mensen, dit was eenderde van de Europese bevolking.
Hongersnood en andere misstanden deden zich voor.
Schuld van deze ziekte kregen vooral de joden, die dan ook meedogenloos vervolgd werden.

In Ruurlo hadden enige vreemdelingen hun dorst gelest bij de put bij de kerk.
Toen later inwoners van Ruurlo water wilden putten, bleek dat het water besmet was, velen werden ziek en stierven.

Daar is ons venien in de putten ebracht,
Dat do'n de Jödden, dat röp um blood!
Griept dee verraoders, slaot dood, slaot dood!


Alleen de jood Abraham en zijn dochter konden naar het kasteel vluchten, waar het water niet besmet was.

De ridder van Roderlo had wel belangstelling voor de mooie dochter Mirjam.
Dit tot ergernis van zijn moeder, die al een andere kandidaat voor haar zoon had.
Ze wilde niet dat haar zoon een eenvoudig meisje uit het volk huwde, en dan ook nog een jodin!
Ze vertelt hem over de schone Machteld uit Brabant, en hoeveel geld ze heeft en dat ze hem veel macht kan bezorgen.

Als Mirjam dit ter ore komt begrijpt ze wel waar dit op uit zal draaien.
Ze zegt tegen de ridder dat ze er begrip voor heeft indien hij voor een ander zal kiezen, maar als hij haar vader iets zal aandoen zal de ridder overlijden voordat hij voor nageslacht gezorgd heeft.

Onder druk van zijn moeder besluit hij met met Machteld te trouwen.
De oude vader wordt gedood, maar de ridder waarschuwt Mirjam vooraf, zodat ze kan ontsnappen.
Aan zijn moeder vertelt hij dat ze verdronken is in de gracht.

Niets staat nu een huwlijk in de weg en enige tijd later is het zover.
Vele gasten zijn er aanwezig en er wordt veel en lekker gegeten en gedronken.
Dan komt een van zijn knechten om te melden dat er een zigeunerin bij de poort staat die de kunst van het waarzeggen verstaat.

Ze mag binnenkomen om de mensen te vermaken en met een sluier om, en een beetje gebogen, komt de zigeunerin binnen.
Eerst leest ze de hand van Machteld en zegt dan, maagd, vrouw, weduwe op één en denzelfden dag, klooster en graf...

Machteld deinst terug en wordt bleek, maar de ridder springt op en roept, ge liegt, vervloekte heidin.
Dan slaat de zigeunerin haar sluier terug en tot zijn grote schrik ziet de ridder dat het Mirjam is.
Ze slaat haar armen om hem heen en kust hem op de mond.
In haar ogen flikkert een vreemde glans en tot de ridder spreekt ze: Je zult met mij sterven.
De zwarte dood die in mijn binnenste gloeit en klopt zal ook jou neervellen.
Nu is mijn vader gewroken.


Bij het horen van deze ziekte vluchten alle mensen de zaal uit, Mirjam valt zielloos aan zijn voeten neer.
Jammerend strekt de ridder zijn handen uit voor hulp, maar het is te laat, de zwarte dood zal hem niet overslaan.

Bron: Land en volk van de Achterhoek.
Hendrik Odink 1971.