In de eerste tijd van onze jaartelling was uit de Tubanten en andere stammen die hier toen woonden de natie van de Franken ontstaan.
Ze hadden een vergadergebouw of "Sala" gesticht.
Aan het begin van de vijfde eeuw trokken de Franken naar het zuiden om daar Gallië te veroveren.
De verlaten sala werd toen "olden sala" genoemd, het tegenwoordige Oldenzaal.

De nieuwe bewoners van deze streek waren de Saksen, die door de volksverhuizing van hun oorspronkelijke plaats in het noorden van Duitsland waren verdreven.
Aanleiding van deze grote volksverhuizing was de inval van de Hunnen in het oosten van Europa.
De nog aanwezige Romeinen trokken zich hier terug om hun vaderland te verdedigen.
Tijdens de Romeinse overheersing was het redelijk rustig geweest, maar nu werd het er niet beter op, roof, brand en moord was aan de orde van de dag.

Na de grote volksverhuizing woonden de Franken ten zuiden van de Rijn, zij namen de Romeinse beschaving over en bekeerden zich tot het Christelijk geloof.
De Saksers woonden ten oosten van de IJssel in Gelderland en Overijssel en zij zouden nog eeuwenlang Wodan en Donar als hun goden zien.


Het Saksich gedeelte
van Nederland.


Vanaf de zevende eeuw kwamen Frankische en Britse zendelingen hierheen om de heidense Saksen te bekeren tot het Christelijk geloof.
De gebroeders Ewald, Marcellianus, Lebuïnis en Ludger deden hun best om de Saksers te kerstenen, maar ze werden stelselmatig tegengewerkt.
De zendelingen stichtten vaak op een van oorsprong gewijde plek hun kerken en deze werden dan weer regelmatig in brand gestoken of geplunderd.
Aan het begin van de negende eeuw stichtte Ludger in Whitmundi (Wichmond) een kerk.

Karel de Grote, de koning van de Franken wilde de heidenen met alle middelen bekeren, bij de Friezen lukte dit en enige jaren later gaven ook de Saksen zich over.
Onder leiding van Wittekind hadden ze lang tegen de Frankische overheersing gevochten.
De zondag als rustdag was iets nieuws, maar dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag hielden de oude goden Thyr, Wodan, Donar en Freya in ere.

Karel de Grote vaardigde de "partibus Saxionae" uit, waarin kerkbezoek op zondagen verplicht werd.
Wanneer men het doopsel weigerde werd de doodstraf uitgesproken en dit werd ook gedaan indien men zijn doden verbrandde.

Het heidendom bleef echter leven in de gebruiken en denkbeelden van de nieuwe christenen.
Het paasfeest verving het feest van de lentegodin met zijn vuren, eieren en offers met kransen.
Pinksteren nam de plaats in van het belderfeest, en het joelfeest met zijn pret van 13 nachten werd de tijd tussen kerstmis en driekoningen.

Het geloof in spoken, heksen, tovenaars en witte wieven is bijzonder lang gebleven in onze Achterhoek, gebied van de Saksen.

Bron: Geschiedenis van het land van Berkel en Schipbeek.
H.W. Heuvel.
Juni 1903