‘Jan Hindrik, Jan Hindrik, wat ‘n ding, wat ‘n ding.’ Dat waren de legendarische woorden van een oud moedertje in Winterswijk 125 jaar geleden bij het zien van de eerste locomotief die het station puffend binnenkwam. Het was de allereerste trein in de Achterhoek; een heel nieuw tijdperk was aangebroken.

De aanleg en opening van de eerste Achterhoekse spoorlijn, tussen Zutphen en Winterswijk vice versa, was 125 jaar geleden voor de regio een enorme gebeurtenis. Het wegverkeer was in die dagen immers nog een crime. Alleen zeer ondernemende en moedige personen konden zich een verre reis veroorloven.

Station Winterswijk anno 1914.

De Achterhoek, jarenlang een vergeten streek, werd door het ‘ijzeren paard’ letterlijk ontsloten. De eerste goede verbinding met de rest van het land was tot stand gekomen.

Maar wie nu meent dat de Achterhoekers in de rij stonden om een reis te ondernemen per spoor heeft het mis. Lang bleef de plattelander het spoor wantrouwen. Dat valt al op te maken uit krantenartikelen die in die dagen verschenen.

IJverige krantencorrespondenten die de trein voorbij hadden zien komen getuigden van een monster dat niets anders deed dan met zijn schrille gefluit en aamborstig gepuf de paarden opschrikken en oude mensen de stuipen op het lijf jagen.

Voor de mensen was ‘dat niejemoods gedoete’ destijds het gesprek van de dag. ‘Wie had zien laeven edacht da’k op mien olde dag nog zo’n dink zol zien?’, zei de een. ‘A’k ‘s margens in ‘t bedde ligge en dat dink kump der langes dan schuddet mien ‘t bedde’. Weer een ander zei: ‘Zo’n locomotief snorkt net as ‘n old varken dat de keune zeugt.’

Nu was de allereerste proefrit al niet erg bemoedigend geweest. Toen de rails tussen Winterswijk en Zutphen begin 1878 net gelegd waren, was er een kennismakingsritje georganiseerd voor het personeel van de nieuwe spoorwegonderneming (met dames), van Winterswijk naar Lichtenvoorde. De trein liep echter vast in het Korenburgerveen, doordat de rails daar nogal hobbelig lagen.

              
Van links naar rechts, station Winterswijk, station Beltrum/Zieuwent, en station Ruurlo.

De locomotief reed alleen achterwaarts terug naar Winterswijk om hulp te halen, en werd er per abuis door muziekkorps Eufonia spontaan met het volkslied ontvangen. Tot de muzikanten er achter kwamen dat de personenwagens ontbraken... Toen later de gasten alsnog arriveerden werd het volkslied opnieuw gespeeld.

Het personenvervoer kwam, in tegenstelling tot het goederentransport, dus maar traag op gang. Veel mensen vonden reizen per trein veel te gevaarlijk. Trouwens niet alleen in de Achterhoek was men afwachtend. Midden negentiende eeuw ontspon zich zelfs een openbare discussie over de vraag of het menselijk lichaam eigenlijk wel bestand was tegen de snelheden die de toenmalige treinen konden ontwikkelen.

Op 18 juli 1878 was dan de feestelijke ingebruikneming van de lijn Zutphen-Winterswijk. Initiatiefnemer van het mammoetproject was de Winterswijkse textielfabrikant Jan Willink.

Die was in 1831 geboren en was in 1865 in Winterswijk een bontweverij begonnen, de latere Batavier. Het idee was niet geheel nieuw, want in 1860 was al een plan mislukt voor een spoorlijn tussen Amsterdam, via Apeldoorn via Zutphen en Winterswijk naar het Ruhrgebied.

Ook Winterswijker W.A. Roelvink en de vooruitstrevende Baron van Heeckeren van Kell uit Ruurlo slaagden niet in hun pogingen. Maar Willink pakte de zaken veel grootser aan en liet eerst een keurige brochure drukken, waarin het belang van een ‘Nederlandsch-Westphaalsche Spoorweg’ werd benadrukt.

Willink vond een spoorlijn een voorwaarde voor de toekomst van de Achterhoekse textielindustrie. Maar ook de voordelen voor het reizigersvervoer werden in de brochure uitvoerig aangeprezen.

Bij de concessie-aanvraag was naast Willink in de naamloze vennootschap NWS ook grondeigenaar J.B. Snellen uit Moordrecht betrokken, waarschijnlijk ook iemand uit de textielbranche. Op 27 maart 1872 werd de concessie verleend; op 16 maart daarvoor was de koninklijke goedkeuring ontvangen voor de nestor van de Achterhoekse spoorlijnen.

Aan de Duitse kant ging de procedure wat minder vlot. Om Winterswijk geen dood eindpunt te laten zijn, werd er immers naar gestreefd de lijn door te trekken. Ook die hobbel werd overwonnen en zo liep op 14 maart 1878 de bevolking uit voor het bewonderen van de eerste locomotief in Winterswijk.

Willink raakte intussen zo in de greep van het ‘ijzeren paard’ dat hij ook een concessie aanvroeg voor diverse andere spoorlijnen, zoals die naar Zevenaar, die in 1885 klaarkwam. Een nieuwe wet had het stichten van lokaalspoorwegen mogelijk gemaakt. Zo kwam er een netwerk van trein- en tramlijnen tot stand.

De trein bleef, de tram zong het in de Achterhoek nog uit tot eind jaren vijftig.

Bron:Tubantia/Gelderlander juni 2003.
                                                                           De borkense baan

De Borkense baan en de Bocholtse baan worden anno 2003 nog volop gebruikt.
Nu niet meer door een dampende lokomotief maar door fietsers en wandelaars.
Het geeft de natuur van Winterswijk iets extra's mee.

Beltrum- Zieuwent. Wachtpost 40 bij km 28.80, (overweg Kempersweg - Beltrum) werd gebouwd in 1878.
Vanaf 01-05-1892 officieel in het spoorboekje tot 13-05-1933.
Goederenvervoer was er nog tot 23-05-1955.

Eind juni 2003 ben ik in Beltrum geweest om te kijken of er nog iets overgebleven is van het station , dat in 1956 is afgebroken.
Dankzij de informatie van een overbuurman was er nog een heel klein beetje te zien.
Allereerst in het maisveld op de plek waar vroeger het station stond.
Hierin is redelijk duidelijk een plek te zien die afwijkt van de rest, waarschijnlijk veroorzaakt door de slechtere(grind) of vervuilde grond.

       Dit is er nog te zien in 2003.


Het andere overblijfsel is een enorme klomp metaal en steen die bij het bouwen van het land naar boven gekomen is.
Deze lag hier in de berm net voor de spoorbaan, maar is intussen verdwenen.