Op 15 september 1610 komt Berent Swenen, een kleermaker uit Barlo bij de Richter te Bredevoort, met de vraag of hij aan de waterproef onderworpen kan worden.
Hij wordt door velen als een tovenaar bezien en wil daarvan gezuiverd worden.
De rechter laat hem op 22 oktober komen om hem aan een nader onderzoek te onderwerpen.

Als eerste getuige komt Geerd Luiten, zijn buurman.
Hij vertelt dat er verscheidene koeien en varkens bij hen doodgegaan zijn, naar algemeen vermoeden aan tovenarij.
Toen hij één van de dode koeien eens lossneed zag hij tot zijn grote schrik gestalten "van pedden en slangen"!
De enige in de buurt die zich met toverij ophield was Swenen, dus moest hij wel schuldig zijn.

Luiten kan thuis zelfs geen boter meer karnen, maar als hij Swenen daarover aanspreekt en zich beklaagt zo'n slechte buurman te hebben, antwoordt deze zonder blikken of blozen: God helpe al diegenen, die in de ure geboren en van zolke olderen zijn, dat se sulx leeren of doen moeten.
Zo zagen zijn buren hem misschien wel.
De volgende getuige is Bernt Tolkamp, ook hij komt ook met een zware beschuldiging.
Toen hij afgelopen jaar zijn buurman Swenen hielp met de vlasoogst, had hij daar karnemelk gedronken, waarop hij des anderen daags strax kranck, ja zelfs bijsinnig geworden is.
Toen hij zich bij de doker vervoegde wist deze hem te melden dat het van de karnemelk kwam dat hij ziek was.
Met de goede raad van de dokter en God's hulp was hij na veertien dagen weer de oude.

Maar de ellende hield niet op, ook zijn dochter was gaan sukkelen.
Tegen de dokter sprak hij zijn vermoeden uit dat Swenen hier de schuld van was.
De dokter wilde hier geen duidelijk antwoord op geven, maar begon zo geheimzinnig te glimlachen dat het Tolkamp wel duidelijk was hoe deze over de zaak dacht.
Aan het slot van het gesprek had de dokter inderdaad een goede raad: als die man (Swenen) in sijn huys queme, solde hie vrij een goede kuyse (knuppel) achter die deure hebben staen en hem daermede rechtschapen afsmeren; dan sollt wall met hem beteren.

Geerdt Winckelhorstinck en Johan Merckerdinck verklaarden dat het algemeen aangenomen was dat Swenen een tovenaar was, maar dat zij persoonlijk nooit moeilijkheden met hem hadden gehad.

Herman Olthuys wist nog wel een paar nadelen van Swenen op te sommen.
Swenen had zich vaak beklaagd over het feit dat zoveel mensen hem voor een tovenaar hielden en vertelden dat hij de veestapel van Geert Luiten betoverd had.
Hij had hem om raad gevraagd hoe hij het met Luiten moest oplossen, hij wilde zich graag verdedigen tegen deze aantijgingen.
Dit was toch wel erg brutaal van Swenen, daarom had Olthuys ook geantwoord: gij kunt u niet verdedigen man, uw bestemoer heft doch Willem Cock doodgetoovert.
Swenen antwoordde dat hij dat niet keeren konde en dus vrij were.

Toen Swenen tegen Olthuys zei dat hij zich aan de waterproef wilde onderwerpen, had hij hem geantwoord dat hij dan zeker zou blijven drijven.
Hij gaf hem de raad om hier weg te gaan om ergens anders te gaan wonen.
Maar Swenen zei daarop: vlottende hij dan, so mochten se hem recht doen, so sol Olthuys niet voor hem sterven.

Als laatste komt Tonis Coenen, twee paarden van hem waren betoverd.
Hij laat doorschemeren dat het de schuld van Swenen (den lammen schroer) is en krijgt de raad om een andere kleermaker te zoeken.
hie sol den Berent Swenen frij uth syn huys laten, hij konde wal andere schroers (kleermakers) krijgen, het sol hem niet qualicker gaan.
Coenen vertelt dat Swenen altijd al als tovenaar bezien wordt, ook door de andere buren Gae ter Neet, Jacob Swijtinck, Jan te Bockell en Willem Lammertsen.
Und hebben deze vors. elff mans dit haer angeven und bekentenissen naer behoirlicke avisatie met opgestreckten vingeren tot God und sijn Heiligen Evangelium swerende geaffirmeert (bevestigd) und bestedigt als recht.Sonder arglist.

De bewijzen zijn te groot voor Swenen, op 27 oktober schrijft de landschrijver in het protocol dat Swenen na veelfoldige guetlicke vermanong und ondervragong, bekande endlich rotunde (ronduit), constanter en veelmaell over, dat hij toveren konde; dan hie wuste niet, dat hie sijn leven quat daermede gedaen had.
Swenen verklaarde dat hij de kunst geleerd had van Naele op 't Goir en haar zoon Hendrick die in Barlo gewoond hadden, maar beide overleden waren.

Hoe het afgelopen is met Swenen wordt niet vermeld, maar hij zal ongetwijfeld ter dood veroordeeld zijn zijn.
Bovendien had de rechter het druk, het volgende proces tegen een andere tovenaar stond alweer voor de deur.

Het lijkt erop dat Swenen als zeer apart in de buurt werd aangezien omdat hij blijkbaar lam liep, den lammen schroer.
In die tijd was het voldoende om een of andere handicap te hebben , of alleen maar te mager te zijn, om als heks of tovenaar aangezien te worden.
Swenen leek een wijs man, hij gaf de schuld van zijn zogenaamde toverkunsten aan twee mensen die al overleden waren, zodat er niet nog meer willekeurige en onschuldige slachtoffers vielen.
De heksenprocessen zouden nog duizenden onschuldige slachtoffers eisen, die onder de vreselijkste omstandigheden ter dood gebracht werden.
Met name hier in de Achterhoek zou dit nog lang doorgaan.

Bron:B. Stegeman, Het oude kerspel Winterswijk.