Een eeuw geleden waren er nog maar weinig verharde wegen in de Achterhoek.
Sommige zijn pas in de dertiger jaren aangepast.
De weg tussen Aalten en Terborg bijvoorbeeld, werd eerst met houten paaltjes "verhard", toen dat niet bleek te werken werd er een grindweg van gemaakt.

Om het verharden van al deze wegen te bekostigen werden er tolhuizen ingesteld, eigenlijk een soort wegenbelasting.
Toen in 1847 de rijksweg van Doesburg naar Gendringen klaar was, werden er maar liefst 5 tolhuizen geplaatst, voor de hele afstand was men veel geld kwijt.

Veel van deze tolhuisjes staan er nu nog, meestal hebben ze een erker met zijraampjes zodat men goed zicht had op de weg.
Bij Bredevoort is er nog de Tolhuisweg, maar ik weet niet waar dit tolhuis gestaan heeft.
Het tolhuis bij Aalten stond onderaan de bult van de Ringweg.

Als je mijn Montferlandroute volgt, kom je voor Netterden ook langs een tolhuis en hotel "het Tolhuis"in Zeddam is natuurlijk ook zo aan zijn naam gekomen.
Ook bij "Den Tappen" in Miste werd tol geheven.

Aan de tol De tolgaarders van vroeger waren ook vaak boer of herbergier om hun karige inkomen iets te verhogen.
Blijkbaar verantwoordden de tolgaarders niet alles, want op de slagboom stond vaak te lezen:"Eist een bon"!
Soms probeerden de mensen de tol te ontlopen door andere wegen dwars door bossen of bouwlanden te nemen.
Dat het nemen van deze "sluiproutes" door de tolwachter niet toegestaan werd, zal duidelijk zijn.

Er golden verschillende tarieven, een voetganger betaalde niets, maar voor een paard werd 2,5 cent gerekend.
Een karos met 4 paarden kostte 20 cent.
Een kar met turf was 10 cent en een kar met mensen was 5 cent.
Een geladen wagen kostte maar liefst 30 cent.
Bij de Lebbenbrugge in Borculo en bij het tolhuis bij Wittebrink hangt nog een bord waarop alle tarieven staan die toen werden geheven.