De rechtspraak in deze streken werd in de middeleeuwen gedaan door de vrije boeren, ongeveer zoals Karel de Grote dat rond 800 ingesteld had.
Voorzitter was de vrijgraaf, en samen met de vrijschepenen werd bij zonsopgang vergaderd onder de open lucht.
Eerst werden alleen burgerlijke zaken behandeld, maar later kwamen ook zaken als moord, meineed, diefstal en verraad aan de orde.
Wie zich aan een misdaad schuldig gemaakt had werd door een der veemschepenen aangeklaagd.

Deze dagvaarding werd met een speciale dolk aan de deurstijl van de verdachte vastgestoken en wie dat moest doen, moest als bewijs een paar houtspaanders van de deurpost mee terugbrengen.
Dit was een zeer gevaarlijk werk, de gedaagde had er namelijk alle belang bij de indaging te verhinderen, dit karweitje werd daarom meestal 's nachts uitgevoerd.

Wanneer de beschuldigde na drie keer gedaagd te zijn zich nog niet meldde, werd hij schuldig bevonden en was hij vogelvrij.
Drie veemschepenen die onbekend bleven, voltrokken dan de doodstraf. De gevonniste werd dan gevonden met een wilgenstrop om zijn nek en een dolk in de borst.
Wanneer de beschuldigde echter wel verscheen en hij ook zijn onschuld kon bewijzen, dan werd de aanklager veroordeeld.

De veemschepenen maakten gebruik van geheime tekens en woorden, zodat ze wel elkaar konden herkennen, maar buitenstaanders niet.
Het veemgericht had voor de gewone man een geheimzinnige en afschrikwekkende uitstraling.

Op het Walfort werd vroeger recht gesproken door een veemgericht in de open lucht in de Sleehegge, een stuk land omgeven door een sleedoornhaag.
Dit ligt westelijk van het kasteel en wordt nog wel eens "galgenhutte" genoemd.

In de vijftiende eeuw leefde er een vrijgraaf, die een hoofdrol speelde in de rechtszaken op 't Walfort.
Hij heette Berend de Ducker en was gelijktijdig burgemeester van Bocholt.
Hij was bijzonder gevreesd want zijn veroordelingen eindigden vaak met de strop.
61 jaar lang voerde hij het (schrik)bewind in het Walfort, en nu nog zegt men wel, "Den Duker zal oe halen".

galg De strop die gebruikt werd voor de executie werd gemaakt van een wilgenteen (wedde), brak deze strop tijdens het uitvoeren van het vonnis, dan was de man vrij.

Een man die dit vonnis moest ondergaan kwam rustig met zijn pijpje op de lip aangelopen.
Hij plaatste zijn dampende pijp tegen de paal en klom op het schavot.
De beul deed zijn werk, maar gelukkig voor de man brak de strop en hij viel op de grond.
Hij was weer vrij man, hij pakte zijn pijp en zei: "Daor was mi'j de piepe zowat ovver uut e gaone."

Een sterk verhaal, of wel een bijzonder nuchtere Achterhoeker!

Bron: Stegeman, Het oude Kerspel Winterswijk, 1927.
H.W. Heuvel, Geschiedenis van het land van Berkel en Schipbeek 1903
G.J. Lensink, Ne gopse vertelsels 1981.