Zo mooi en vredig als de Wolboom er nu ligt, is het niet altijd geweest.
In vroegere tijden was met name het Zwarte veen berucht om zijn struikrovers.

Rond 1800 had een Aaltense dominee zijn traktement opgehaald in Zutphen, en was hij op weg naar huis.
Ergens tussen Halle en de Radstake kwam een man naast hem lopen en ze raakten in gesprek.

Zoals gewoon ging hij bij de Radstake aan, waar men de dominee natuurlijk goed kende.
De man, die ook mee gegaan was, raadde hem aan na verloop van tijd aan maar verder te gaan, zodat de dominee nog voor het donker worden thuis zou zijn.
Hij moest ook die kant uit, en dan kon dat mooi samen.

De dominee vond dat wel een goed idee, maar de kastelein van de Radstake die achter de man stond wenkte hem dat niet te doen.
De dominee was niet bang en wilde toch op pad gaan, maar toen zijn nieuwe metgezel al te enthousiast aandrong kreeg hij argwaan en besloot toch maar te overnachten in de herberg.
Deze had nog wel "een best bedde veur dommeneer".

Toen de man verdwenen was vertelde de waard dat deze persoon een van de beruchtste rovers van de Vennebulten was, die zeker van plan was om de dominee daar te beroven.

Een paar maanden later moest de dominee in de gevangenis van Winterswijk zijn, waar hij geestelijke bijstand moest geven, en daar trof hij zijn metgezel weer aan.
In een openhartig gesprek gaf deze toen ook volmondig toe dat hij van plan geweest was om de dominee zijn geld afhandig te maken.

Veel later, tijdens de tweede wereldoorlog, werd dit terrein door het verzet gebruikt voor wapendroppings.
Meerdere keren werd hier het Achterhoekse verzet voorzien van wapens.

Maar ook bovennatuurlijke krachten waren hier te vrezen.
Een boerenknecht die op een bruiloft in Harreveld was geweest moest midden in de nacht terug naar Varsseveld.
Hij sneed zich een flinke knuppel om zich tegen eventuele struikrovers te beschermen.

hond Het was een heldere maanverlichte nacht en plotseling kwam er een hond naast hem lopen.
De hond zag er griezelig uit, zwart, mager en met fonkelende ogen.
De knecht deed alsof hij niets merkte en de hond deed eigenlijk ook niets vreemds.

Toch vertrouwde hij de zaak niet en plotseling probeerde hij de hond een geweldige klap te geven met de knuppel.
Meteen was de hond spoorloos verdwenen en de man stond met de arm opgeheven in de lucht, hij kon zijn arm niet meer bewegen.

En zo bleef het, de rest van zijn leven liep hij met opgeheven arm en de knuppel vastgegroeid in zijn hand.
De stok werd wel afgezaagd, maar het stuk in zijn hand bleef zitten.
Iedereen wist dat hij behekst was door de hond.

Na zijn dood groeide er uit zijn graf een eikeboom, het stuk hout in zijn hand was weer uitgelopen.

Lang geleden was er al bewoning in de Vennebulten, in het gemeentemuseum van Arnhem zijn vuurstenen gereedschappen te zien die hier zijn opgegraven.
Ze zijn waarschijnlijk achtergelaten door rendierjagers die later toen het warmer werd naar het noorden gingen.

Bron: J.G. Vos Achter Rijn en IJssel.
Wisch en zijn bewoners 1976.