De Seesinkmolen in Heelweg.

De Seesinkmolen in Heelweg.

De Seesinkmolen of molen van Wisselink was een achtkantige grondzeiler.
De molen is gebouwd door de Varsseveldse molenmaker Kreeftenberg in 1870.
De eerste eigenaar was Hendrik Wisselink.
In 1952 werd de molen gesloopt, men stapte over op elektromotoren.

Op de onderstaande foto, die in 1934 genomen is, zie je de woning, winkel en schuur van molenaar Wisselink.
Hij staat er zelf op, samen met zijn dochters Dina en Gerda.
Op de andere foto wordt het meel opgehaald door een vrachtwagen van de GTW, Wisselink is degene met de schort, de man links is de molenaarsknecht Willem Ormel.



In 1939 is Sturris op de molen werkzaam, wanneer in de vijftiger jaren Wisselink overlijdt, verkopen zijn dochters de maalderij aan hem.
In 1979 krijgt hij een lintje voor zijn 40 jarig molenaarschap.
Er wordt dan allang met behulp van elektromotoren gemaald.
Wanneer de maalderij zijn functie verliest, komt er een fietsenmakerij in, deze is nu het naastgelegen pand gevestigd.

Van deze molen is nog wel het een en ander overgebleven, de molenstenen liggen er nog, maar er is ook nog een olielampje, een zogenaamde "snotneus", dat dienst heeft gedaan bij het "billen" van de molenstenen.
Ook zijn er nog meerdere bilhamers aanwezig.
Van de winkel die bij de molen was, is nog een stuk originele vloer te zien.
Het ligt net vóór het huis, onder de molensteen, dus precies op de originele plek van de winkel.

Foto's Ben Maandag.











De Nieuwe Molen in Sinderen.

De Nieuwe molen in Sinderen.

In 1652 stichtten de heren van Bergh en Wisch op de "Keurhorsterheide" en op de grens tussen hun bezittingen, een "nieuwe molen": een houten achtkante bovenkruier.
Al in 1671 werd deze vervangen door een standerdmolen: een windmolen, die in zijn geheel kon draaien (kruien) om naar de wind gezet te worden.
De standerdmolen hield twee en een halve eeuw stand en werd in 1926 gesloopt, waarna het bedrijf in de huidige motormaalderij werd voortgezet.

In de motormaalderij treft men drie koppels stenen aan voor het vermalen van –voornamelijk- granen, en enkele (hulp)werktuigen voor het transport en de bewerking van granen en meel.
De roggebroodbakkerij die aan het bedrijf verbonden is dateert uit 1910.

Vlakbij de vroegere molenaarswoning heeft tot het einde van de 19e eeuw ook een grote rosmolen gestaan, waarin zich onder meer een olieslagerij bevond.
Eigenaar van de molen was D.A. Colenbrander.
Naast deze molen stond er in Varsseveld-Dorp ook nog een geheel gesloten standerdmolen.

In 1981 zijn de bedrijfsactiviteiten beeindigd, omdat er geen opvolgers waren.
Wel is de molen nog steeds in eigendom van de familie Kersjes, die de molen vanaf 1925 in bezit heeft.

De maalderij wordt nog steeds aangedreven door een ééncilinderdieselmotor van het merk Thomassen uit 1930.
Zo nu en dan worden hier nog demonstraties gegeven.












De Olde Mölle in Varsseveld.

De Olde Mölle.

De Olde Mölle was een molen die aan de weg naar Terborg stond, dicht bij het station.
Het is mogelijk dat al in 1693 een molen op deze plek stond.
De molen was van het type, gesloten stenderkast. om deze korenmolen in de wind te zetten werd dus de hele molen gedraaid.
Als windvaan stond er een haantje op.

Tot 1900 werd de molen met windkracht aangedreven, daarna ging men over op machinaal malen.
In 1922 werd er nog een nieuwe ijzeren as ingezet, maar in 1932 kwam het einde van deze molen, hij werd gesloopt.
Bekende molenaars waren Bloemers en Willink.
Deze as werd in 1973 weer gebruikt bij het bouwen van een standerdmolen in Heusden.












De Beeftinkmolen of de Engel.

De Engel.

Aan de noordoostzijde van het dorp Varsseveld staat de fraaie korenmolen "de Engel".
Op deze plaats heeft een voorganger gestaan die in 1724 gebouwd werd en diende als "tiendspiker".
Hier werd het "tiendkoren" gedorst en afgevoerd naar Zutphen (dat was een soort belasting).

In 1849 wordt de molen opgericht door H.M. Arendsen, die op dat moment in de molen "de Haan" werkzaam is.
Samen met zijn vader beginnen ze hun nieuwe bedrijf.
Molenbouwer Kreeftenberg voert de werkzaamheden uit.

In het begin droeg de molen de naam "de Hoop".
In de volkstaal werd de molen genoemd als de Aorendsen Mölle en later Beeftings molen.
Nog later werd die door eigenaar J. van Erkel omgedoopt in "de Engel".

In 1936 verkocht de toenmalige eigenaar J. Hilverink de molen omdat hij er geen brood meer inzag.
De hele inboedel, en ook de wieken en de stenen werden verkocht.
Een jaar later werd ook de molen en de grond verkocht.
Er werd niets meer met de molen gedaan en in 1957 kwam deze op de monumentenlijst.

Tien jaar later kocht de gemeente de molen met het plan deze weer op te knappen.
Dit gebeurde dan ook, in 1975 werd begonnen met de restauratie door de firma Beckers uit Bredevoort.
Op 22 mei 1976 werd de molen op feestelijke wijze als maalwerktuig heropend.



Op het filmpje is de molen te zien net na de restauratie in 1976, het is een super8 opname van Jan Bruil uit Varsseveld.
Eigenaren van de molen waren: H.M. Arendsen Sr. (1849 - 1856), H.M. Arendsen Jr. (1856 - 1873), Th.J. Arendsen en cons. (1873 - 1910), J.P.A. van Erkel (1910 - 1915), W.Haverkamp (1915 - 1920), K. Beeftink (1920 - 1930), H.J. Hilverink (1930 - 1937), G.A. Colenbrander (1937 - 1967) en Gemeente Wisch (1967 tot heden).












De Kwaksmolen of de Haan.

De Kwaksmölle of de Haan.

Rond 1820 wordt door Laurens Becking in Varsseveld een nieuwe windkorenmolen opgericht van het type stenderkast.
De naam is "de Haan".
De eerste molenaar is Laurens Colenbrander.
Enige jaren daarna wordt er een aanvraag ingediend om een rosmolen te bouwen, maar de gemeente geeft geen toestemming, omdat er in die tijd al drie zijn in Varsseveld.
In 1835 is Jan Frederik Rogge eigenaar van de molen, hij krijgt wel toestemming voor een rosmolen.
Deze is helaas geen lang leven beschoren, want in 1838 brandt deze volledig af.
Aangezien de molen verzekerd was werd er direct een nieuwe molen gemaakt.
De rosmolen was natuurlijk van groot belang bij windstil weer.

In 1849 verlaat de toenmalige molenaar Arentsen de molen om voor zichzelf te beginnen, samen met zijn vader stichten ze de molen die nu "de Engel"heet.
De zoon van Laurens Colenbrander wordt de nieuwe molenaar.
In mei 1851 is er voor het eerst een Kwak molenaar, namelijk Gerrit Kwak.
Deze naam zal lang verbonden blijven met de molen.

Op 28 januari 1859 slaat het noodlot toe, aan het eind van de middag breekt er brand uit in de molen.
De nabij staande rosmolen blijft gespaard, maar de houten stenderkast wordt volledig vernield.
De burgemeester schrijft:

Bij deze geef ik UEA te kennen, dat op gisterenmiddag omstreeks vijf uur brand is ontstaan in de windkoornmolen toebehorende aan Gerrit Kwak alhier, staande op ongeveer vijf minuten van het dorp Varsseveld. De brand nam zoo spoedig toe, dat er aan blusschen niet te denken viel en de molen tot de grond toe afbrandde. Dezelve is vermoedelijk ontstaan door de kagchel welke op de molen heeft gebrand. Aan moedwil of boos opzet is hier niet te denken. De molen is verzekerd in de Zwolsche Brandwaarborg Mij. Voor eene som van F 5.000,00."

Kwak laat er geen gras over groeien, de molenmaker Kreeftenberg gaat meteen een nieuwe molen bouwen, geen stenderkast, maar een stenen beltmolen.
Binnen een half jaar wordt er met de nieuwe molen gedraaid.
Tien jaar later is er ook een bakkerij bij gevestigd.
Wanneer de tram zijn intrede doet in Varsseveld komt er een stopplaats net voor de molen (zie foto).
Nog vóór de eeuwwisseling wordt er ook nog een petroleummotor aangeschaft, zodat men niet meer afhankelijk is van de wind.

Bij de bevrijding van Varsseveld in maart 1945 wordt de molen gebruikt om een schuilplek te vinden.
De ruimte in de belt biedt een goede bescherming tegen het oorlogsgeweld.
De molen zelf wordt dusdanig beschadigd, dat er nadien hoofdzakelijk met de petroleummotor gemalen werd.
In 1951 wordt het binnenwerk verwijderd.

In 1966 komt er een einde aan de bezigheden in de molen, de gebroeders Hein en Willem Kwak zijn de laatste molenaars op de Kwaksmolen.
De molen wordt verkocht aan de gemeente, die er een sociaal cultureel centrum van maakt, genaamd "de Kwaksmölle".

Bron: Contactorgaan ADW, Gerard Bruil.











De Nahuismolen in Westendorp.

Molen van Nahuis.

De molen van Nahuis in lag aan de zuidzijde van de weg naar Varsseveld-Doetinchem in Westendorp.
Op deze plek is nu het loonbedrijf Lettink gevestigd.
Het bouwjaar was rond 1880.
Het was een ronde stenen bovenkruier, een beltmolen.

De eerste eigenaar was H. Jansen, deze was tevens bakker.
In 1924 werd de molen gesloopt, het laatste overgebleven deel werd zes jaar later, in 1930, door brand verwoest.

De maalderij gaat wel door, er wordt nu met een Deutz dieselmotor gedraaid.
Wel wordt de maalderij iets meer naar de weg verplaatst, daar waar nu autobedrijf Bruil gevestigd is.
Derk en Jan Nahuis werken in de maalderij, Jan als molenaar en Derk als techneut.
Op 1 februari 1943 komt Jan Peppelman die op de Coopsmolen in Halle werkte, als filiaalhouder in deze maalderij.
Hij is nu 90 jaar en woont nog steeds dicht bij zijn oude werkplek.

Een paar dingen zijn bewaard gebleven, zoals de oliepotten en een manometer van de Deutz diesel.
Ook het originele Deutz gereedschapsbord met het gereedschap is er nog.












De Molen van Wennink of Molenkampmolen.

De Molenkampsmolen.

De Molenkampsmolen lag aan de noorderzijde van de weg Varsseveld-Doetinchem in Westendorp.
Ongeveer waar nu de schuur staat, schuin rechts achter autobedrijf Bruil.
Het was een ronde stenen bovenkruier.

In 1859 had de timmerman Berend Hendrik Bussink een stuk van zijn land verkocht aan Engelbert Hendrik Willem Wennink.
Wennink was al molenaar en was afkomstig uit Keppel.
Deze liet hier in 1862 een molen bouwen en ook een molenaarswoning.

In oktober 1885 is de molenmaker Kreeftenberg nog met deze molen bezig, er moeten nieuwe roeden opgezet worden.
Volgens zijn rekening is hij er drie dagen mee bezig geweest, het kost dan ook drie gulden.

In 1887 verkocht Wennink de molen weer, en wel aan de hoofdonderwijzer Jan Hofs.
Wat Hofs er mee wilde is niet duidelijk, misschien voor de handel?
Hij verkoopt de molen tenminste onmiddelijk weer aan Hendrik Jan Molenkamp.
Molenkamp is tot dan toe molenaar in Zelhem.

De molen zal altijd in de familie Molenkamp blijven, in 1926 neemt zoon (ook) Hendrik Jan de molen over.
Hij laat de molen in dat jaar slopen, door een storm is deze ernstig beschadigd.
Er wordt dan al met een motor gedraaid.
Ook het oude mulderhuis gaat eraan, van de stenen van de molen wordt een schuur gebouwd.
Twee molenstenen aan de Doetinchemseweg zijn nu nog de laatste herinneringen aan de molen van Molenkamp.














Diverse molens.

Varsseveld heeft vroeger het Molenveld gekend.
Het spreekt vanzelf dat deze benaming betrekking had op een veld waarop een molen stond, in dit geval gaat het om een watermolen.
In een oorkonde uit het jaar 1234 wordt gesproken van de 'cum loco molendinari", daarmee wordt de molen in Varsseveld bedoeld.
Herman van Loon ruilt dan de Hof te Varsseveld met onder andere het klooster Bethlehem te Doetinchem.
De hof heeft volgens deze akte ook visvijvers.

Deze watermolen stond bij de Pol aan de Lichtenvoordseweg aan de beek, deze liep vroeger met een bocht vlak langs de Oude Wehme en de Pol.
Dit terrein kreeg natuurlijk de naam "Molenveld".

Ook zijn er meerdere rosmolens in Varsseveld geweest, als Becking in 1825 toestemming vraagt aan de gemeente om een rosmolen op te richten, wordt dit niet toegestaan omdat er op dat moment al drie rosmolens zijn.
Volgens de gemeente bij de Olde Mölle, de Nieuwe Mölle en op de Kamp.



In het rapport dat Staring maakte in het midden van de negentiende eeuw, maakte hij ook een melding van een watermolen bij Westendorp.
Hij schrijft dat er door het water van de broekgronden in Varsseveld een watermolen gevoed werd die bij de bouwplaats Erinkveld gestaan zou hebben.
Het erve Erinkveld hoorde vroeger de bezittingen van het huis Bergh.

In een register van opmetingen uit 1542 staat de naam Mollenkamp genoemd, er wordt niet over het bestaan van een molen gesproken.
Deze naam wordt op een kaart uit het midden van de achttiende eeuw weer duidelijk vermeld, samen met andere namen die heden ook nog bekend zijn.
Ook in de overlevering zijn er nog verhalen over een watermolen die hier ooit gestaan zou hebben.

Bronnen:Internet database.
Graafschapbode.
Ben Maandag.
ADW contactorgaan, Gerard Bruil.
Wisch en zijn bewoners.
Molens mulders meesters, H. Hagens.
Diverse gesprekken onderweg.