DE WITTE WIEVEN VAN LOCHEM

In een diepe kuil, even ten zuidwesten van Lochem, hebben vele jaren drie witte wieven gewoond. Overdag lagen zij in het zand en waren daarvan niet te onderscheiden. Eerst des avonds stegen zij omhoog en vlogen als nevelen over de vlakte. Herbert en zijn zusje waren niet bang voor de witte wieven. Als kinderen gingen zij 's avonds vaak langs de kuil om nog een boodschap voor moeder te doen. Wanneer ze dan in de verte de nevelen zagen rijzen en dalen, wezen de kleine vingertjes er zonder vrees naar. Soms zelfs daalden zij in de kuil en plukten er bloemen. Dan gleed meermalen de oudste der witte wieven spiedend langs hen heen, de klauwen uitgestrekt als een kat, die aangevallen wordt. Doch wanneer zij de kinderen dan onder elkaar hoorde lachen, toog ze weer geruisloos verder. Daarom kende Herbert, ook toen hij ouder geworden was, geen vrees voor de witte wieven.

Zijn buurmeisje Johanna, de dochter van Scholte Lodink, waarschuwde echter op zekere dag: "Ga niet weer in de kuil, Herbert, want van de witte wieven is nog nooit iets goeds gekomen". Sindsdien daalde Herbert niet meer naar beneden. Wanneer hij des avonds de kuil voorbij kwam, liep hij snel door naar huis. 't Was of hij Johanna's stem zacht hoorde zeggen: "Nee - nee, Herbert." Er was een eigenaardig warm gevoel in hem, dat hij nog niet eerder had gekend.

Herbert's ouders en ook Scholte Lodink en zijn vrouw merkten dit alles zeer wel op. Glimlachend bekenden zij elkaar, dat Herbert en Johanna wel eens een paar zouden kunnen worden. "Als dat eens waar was", zei Scholte Lodink vrolijk, "dan zou er in heel Lochem geen tweede paar gevonden worden met meer rijkdom. Maar", voegde hij er aan toe, "ze moeten niet gedwongen worden. Al zou mijn dochter willen trouwen met een keuterboer, dan zou ze evengoed mijn toestemming krijgen." Zijn vrouw antwoordde hierop niet, maar ze dacht: "t Is maar goed, dat Herbert en Johanna bij elkaar zijn, want mijn dochter zal niet met een arme jongen trouwen."

Enige jaren later kon Scholte Lodink zijn woorden waar maken. Herbert's ouders hadden buiten hun schuld alle spaarpenningen verloren. Toen waren de gedachten van Johanna 's moeder vol zorg over de toekomst. Moest de dochter van Scholte Lodink nu trouwen met zulk een armoezaaier, die alleen met de handen zijn brood kon verdienen? Ze ging voor de haard zitten en peinsde. Wat haar inviel was niet gelukkig voor Herbert en Johanna. Zij ontdekte een andere vrijer voor haar dochter, die alles had, wat je van een huwelijkskandidaat verwachten kon, Albrecht.

Albrecht was een kloekgebouwd man en hij was rijker dan wie ook in de Achterhoek. Hoe zou ze beiden bij elkaar kunnen brengen, zonder dat Johanna haar sluwe opzet gemerkte? Het toeval hielp haar, want korte tijd later ontmoette zij Albrecht. "Je moest eens een avond je bij ons komen praten", nodigde zij uit. De list gelukte prachtig, want Albrecht nam de uitnodiging aan en begaf zich op een avond naar het erf van Scholte Lodink. Natuurlijk was toen ook Johanna thuis, daar had haar moeder wel voor gezorgd. Het gesprek verliep echter anders dan zij gehoopt had, want Scholte Lodink wist iets bijzonders over Herbert te verhalen.

Herbert was op een avond te paard uit Lochem gekomen. Hij reed op een smalle weg, toen plotseling een vogel met luid ge- schreeuw opvloog. Het paard schrok en sloeg op hol in de richting van de witte wieven kuil. Ongetwijfeld zou Herbert omlaag gestort zijn, als niet de oudste der witte wieven hem te hulp gekomen was. Ze sprong op en greep met haar klauwen het paard in de manen. Even nog trilde het angstige dier, voordat het, nog juist op tijd, tot stilstand kwam. Herbert klopte het bemoedigend tegen de nek en deed het rustig keren. Op het ogen blik dat hij gevaar liep verpletterd te worden. zag Herbert zich nog kans om een blik in de kuil te werpen. Hij zag daar een vuurtje, waarboven een vogel hing, net geplukt of het door mensenhanden was gedaan. Zij braadden 't vlees, de witte wieven.

't Was maar goed, dat Herbert zijn ogen zo goed de kost gegeven had, want daardoor was hij in staat later hij te bewijzen. Thuis gekomen, vertelde hij wat er gebeurd was. Hij vroeg aan zijn zuster of zij een driekoningenkoek wilde bakken, bruin van korst en zoet van binnen. Hij wilde die voor zonsondergang naar de witte wieven brengen. Zijn zuster wilde dit met plezier voor hem doen, onder voorwaarde, dat ze met hem mee mocht naar de kuil. Herbert wilde daar eerst niet van weten, maar moest tenslotte toch toegeven.

Toen bakte zijn zuster een driekoningenkoek. Ze legde haar op een aarden schotel en omstak het gebak met een krans van groen klimopbladeren. Terwijl Herbert de schotel naar beneden bracht, wachtte zijn zuster boven aan de rand van de groeve. Wel klopte haar hart van angst, maar zij hield zich moedig. De volgende dag ging Herbert nog eens naar de kuil. In de diepte zag hij de schotel lig gen, met de klimopbladeren er naast.

Na dit verhaal wilde het gesprek tussen Johanna en Albrecht niet best meer vlotten. Johanna trok een gezicht alsof zij engelenmuziek had gehoord. Wat was Herbert toch goed en moedig van harte. Zelfs in de witte wieven kuil was hij gedaald om zijn dankbaarheid te bewijzen. Albrecht zat naast haar en 't woord "Herbert" was in zijn bewustzijn gelijk een vloek, terwijl hij het mooie meisje aankeek. Was hij eigenlijk minder dan Herbert? Diep in hem brandde de wraaklust. Hij zou trachten Herbert als dagloner te krijgen, zodat hij hem kon laten slaven. Herbert was knecht en hij de meester, dat zou hij Johanna duidelijk maken. Zijn plannen stonden vast toen hij afscheid nam.

Die avond nog had de arme Scholte Lodink meer van zijn vrouw te verdragen dan tijdens zijn gehele huwelijk daarvoor. Of hij zich soms verbeeldde, dat zij haar toestemming zou geven tot een huwelijk tussen Herbert en haar dochter? Wist hij dan niet, wat Albrecht bezat en wat hij zou erven? Wat deed het ertoe of iemand in de witte wieven kuil daalde, dat durfde Albrecht ook, als 't daarom te doen was. Of er in het leven niet nog heel wat anders kwam kijken. Wel twee uur ratelde ze zo door. Eindelijk lukte het Scholte Lodink haar stop te zetten: Was Albrecht even moedig als Herbert? Dat had hij te bewijzen. Boven het geld stond mannenmoed.

Scholte Lodink kwam met een plan voor de dag. Dit zou hij van de beide minnaars eisen: Te middernacht zouden zij naar de witte wieven kuil rijden, Herbert naar de west rand, Albrecht naar de zuidrand. Gelijktijdig moesten ze dan een haarspit (d.i. een ijzeren pin, waarop de zeis geslepen werd) in de kuil werpen om niet in de macht van de witte wieven te vallen. Herbert wilde voor Johanna alles volbrengen en rustig reed hij op de vastgestelde avond naar de westrand van de kuil. In de verte hoorde hij de hoefslagen van Albrechts paard. Hij dreef de bles met een kort woord aan, tot hij kort voor de groeve stond. Albrecht was er nog niet. Hij wierp het haarspit met kracht naar beneden en riep met forse stem: "Wit-wit-wit, hier komt een ijzeren spit".

Woest ijlde de bles de berg af. Uit de kuil steeg één van de witte wieven omhoog, haar klauwen uitgespreid en de mond wijd geopend. Onmiddellijk was ze achter de ruiter. De stormwind stak op en de takken van de bomen kraakten. De witte wieve kwam zo dicht bij Herbert, dat hij haar adem voelde. Hij zette het paard tot meerdere drift aan. "Hahaha" gierde de witte wieve. "Herbert, je kunt me niet ontkomen. Voor het huis van de Scholte zullen mijn klauwen je hebben. Sta maar stil met je paard, dat is te oud voor zulk een wedloop. Albrecht, die een vurig ros heeft gekocht, heeft het zelfs niet gewaagd met mij te wedijveren. Halverwege is hij omgekeerd."

Als de witte wieve geloofde, dat zij Herbert met deze woorden zou tegenhouden, vergiste zij zich. In de ruiter was moed en in het dier angst. Vooruit hij voelde al even haar klauwen langs de nek, toen hij 't erf van Lodink opreed. Een hard voorwerp suisde hem na. De witte wieve haastte zich terug. "Hoezee" riep de Scholte, "over een paar dagen zal er bruiloft zijn." Johanna viel de kranige ruiter om de hals. "Heeft ze je niet geraakt?" vroeg ze bezorgd. Herbert stelde haar gerust, maar vertelde ook dat ze hem nog iets na gegooid had. Ze zochten op het erf. Herbert begon plotseling te lachen. "Ze wil ook niets houden", zei hij, "het is een stok van de schotel, die wij haar gegeven hebben". Scholte Lodink raapte de scherf op en bekeek hem thuis onder de lamp. Een juichkreet ontsnapte zijn keel: de schotel was van goud. Het was een huwelijksgeschenk van de witte wieven.

Bovenstaand verhaal is door mij gekopieerd, daarvoor bedank ik de mij onbekende schrijver/schrijfster.