De Boeyink/Wisselink molen in Velswijk.

De molen in de Oosterwijk in buurtschap de Velswijk, werd omstreeks 1869 gebouwd door de familie Boeyink en kreeg dus de naam Boeyinks molen.
Zij bleven tot 1924 eigenaar en molenaar van deze molen.
Op 24-9-1903 krijgt Berend Willem Boeijink toestemming om een petroleummotor in zijn molen te plaatsen.
De molen van Boeyink. Deze molen is gebouwd door molenbouwer Kreeftenberg uit Varsseveld, het was een ronde stenen beltmolen met inrit.
De belt heeft als voordeel dat de molen wat hoger komt te staan en meer wind kan vangen.
Het kruien, het op de wind zetten, gaat makkelijker en door de verhoging kan de molenaar makkelijker met paard en wagen onder in de molen komen.
Het laden en lossen van de zakken graan en het gemalen meel kon zodoende in droge omstandigheden plaatsvinden.

In 1924 werd de molen door G.J. Wisselink overgenomen.
Half januari 1929, tijdens een hevige storm, knikte het wiekenkruis en moesten de wieken verwijderd worden.
Kort daarvoor waren de wieken nog zelfzwichtend gemaakt en grondig gerestaureerd.
Na de vernieling door de storm werden ze niet meer aangebracht en is de molen wiekenloos gebleven.
Het maalwerk werd vanaf dat moment alleen door een motor aangedreven.
De romp van de molen bleef nog lang staan, pas in 1984 werd deze geslopt.
De molenbelt was toen al lang verdwenen, het vrijkomende zand werd gebruikt bij de aanleg van een weg.

Zoals bij veel molens in die tijd, was er ook een bakkerij en kruidenierswinkel bij.
Oldenboom uit de Meene bakte het brood.
Het bedrijf bestaat nog onder de naam Ecotrans, en de naam Wisselink is hier nog steeds aan verbonden.















De Buursinkmolen

Op 22 januari 1856 krijgen G. Buursink en D. Berendsen een vergunning om aan de Zevenweg tegenover elkaar elk een molen te bouwen.
Deze molens zijn er echter niet gekomen.
Wel is er een molen gebouwd op perceel N1302.
Mogelijk hebben Buursink en Berendsen de afspraak gemaakt dat er maar één molen gebouwd zou worden.
En dat is de molen van Buursink geweest op de huidige locatie aan de Doetinchemseweg 62.
De molen van Buursink. Het werd een achtkantige beltmolen met inrit.
De molen was van het type bovenkruier, gedekt met houten spanen.
De houten spanen hebben een dikte van circa 1 cm, zijn circa 10 cm breed en 20 of 35 cm lang.
Ze zijn door molenmaker H.H. Kreeftenberg uit Varsseveld van onderuit aangebracht en hebben elke 10 cm hoger een volgende laag, zodat er een 3 cm dikke eiken laag ontstaat, die de tand des tijds kon doorstaan.
De molen stond op een markante plek bij de ingang van Zelhem aan de Doetinchemseweg, ter hoogte van de Brinkweg op ongeveer 500 meter ten zuidzuidwesten van de Lambertikerk.

De molen stond ook bekend als de molen in de Stikken.
Molenaar Scholten, die de vader was van de stichter van de molen in de Wittebrink, heeft op deze molen gemalen.
Later zijn Gerardus Buursink (1805-1891) die deurwaarder en koopman was en daarna ook zijn zoon Gerrit (1841-1895), schilder en koopman, eigenaar geweest van de molen.
Gerrits zoon Gerhardus (1872-1946) krijgt op deze korenmolen zijn opleiding.
Hij trouwde in 1904 met de molenaarsdochter van de Markelose windkorenmolen De Hoop.
Ook in Markelo kreeg men dus een Buursinks molen.
Een andere zoon was Herman Teunis (1879-1956), die van beroep broodbakker was in de Smidsstraat.

Na het overlijden van Gerrit Buursink in 1895 wordt G.J.J. Gussinklo eigenaar van de molen.
Op 18 juni 1903 is er aan hem een hinderwetvergunning afgegeven voor het oprichten van een petroleummotor in zijn molen.
Op 3 maart 1909 ontvangt Berend Hendrik Kleinhesselink een hinderwetvergunning aansluitend op de vergunning die is verleend aan Gussinklo.
De molen werd in 1921 afgebroken.
Diverse onderdelen zijn verwerkt in de “Benninks molen” in IJzevoorde bij Doetinchem.















De Coops molen aan de Wiekenweg

De ronde stenen korenmolen van Derk Coops (1768-1859) is gebouwd in 1818 door Derk Coops en zijn vrouw W.J. Coops-Coops op de Zelhemsche Enk na een meningsverschil met de familie Hesselink van de Standaardmolen aan de Hummeloseweg.
De molen van Coops. Deze eerste, geheel uit steen opgebouwde molenromp mag men inmiddels als de één na oudste molen van Zelhem rekenen.
Hij staat aan de zuidwestkant van de bebouwde kom van Zelhem in de Winkelshoek, op 1,3 kilometer van de Lambertikerk.
De muren zijn zo’n 80 centimeter dik, de molen werd als een echte werkmolen gebouwd.

De molen kreeg een merkwaardig model.
Het onderste deel van de molen werd vrijwel cilindrisch opgemetseld.
Het bovenste deel echter werd conisch gemetseld, soms getailleerd, soms recht.

Het is een molen van het type grondzeiler, hetgeen betekent dat de molen vanaf de begane grond te bedienen is.
Deze bediening vanaf de grond was een uitkomst voor de molenaar.
Bij opkomende wind werd het zeil verminderd (zwichten), bij afvallende wind moest zeil worden voorgelegd (inspannen).
Alleen het inspelen op de wind was al een kunst, laat staan dat er tegelijkertijd ook nog meel moest worden gemalen.
De meeste molenaars waren en zijn dus altijd harde werkers geweest die veel tegelijkertijd moesten kunnen overzien, want bij onachtzaamheid lag een ramp altijd in het verschiet.
Met de introductie van de grondzeiler nam het gebruiksgemak voor de molenaar enorm toe.

Een probleem voor de molenaar vormden wel de windstille periodes.
Hij moest ervoor zorgen dat er altijd meel in voorraad was.
De molen was uitgerust met drie koppels maalstenen, dus er was geen capaciteitsprobleem.
Maar een periode van windstilte kon ervoor zorgen dat alles stil kwam te liggen, wat natuurlijk onwenselijk was.

Daarom werd de molen in 1882 uitgerust met een stoommachine.
De heer Coops weet nog te vertellen dat omstreeks 1939 de molen vast liep, omdat er enkele zakken nat graan werden vermalen.
Sindsdien is er niet meer op windkracht gemalen.
Omstreeks 1939 werd de molen van zijn wieken ontdaan en enkele jaren later verdween ook de kap.
De maalderij bleef echter in bedrijf en draaide tot 1976 door in de schuur.
De uit vier bouwlagen bestaande romp is nog steeds voorzien van een puntkap.
De kruivloer en de kuip zijn nog altijd aanwezig.

Alle molenaars op deze molen dragen de naam Coops.
In 1980 is de eigendom door vererving overgegaan op Gertjen Coops en Joos Joosse.
Vanaf het begin had het reeds bejaarde echtpaar plannen om de molen grondig te laten restaureren tot een maalvaardig monument.
De geraamde kosten van een half miljoen gulden waren voor dit echtpaar echter niet op te brengen.
Er werd een stichting in het leven geroepen die eigenaar werd van de molen.
De romp staat er nog steeds, maar het is een triest gezicht.
En dan te bedenken dat dit eens een trotse korenmolen is geweest die Zelhem een bijzonder fraai aanzicht heeft gegeven.

De Coops molen heeft thans de status van monument, de bedoeling is om de molen te restaureren.
De molen zal dan wel iets verplaatst worden, omdat de huidige plek te gevaarlijk is.
Bekijk hier de TV-uitzending op 3 oktober 2007 "Restauratie" met de molen van Coops als genomineerde.














De molen in de Heidehoek

De molen in de Heidehoek. De ronde, stenen grondkorenmolen die in 1869 door molenaar Bruil in gebruik genomen wordt, gaat in 1902 in andere handen over door verkoop aan Berend Hendrik Boeijink.
Deze laatste zal nog 14 jaar koren malen in deze molen.
In 1915 wordt de molen stilgezet en gesloopt, want men is inmiddels overgeschakeld op stoomkracht.
Daar hadden ze in 1911 een vergunning voor gekregen.
De Boeyinks kwamen oorspronkelijk van de molen in de Velswijk die zij in 1924 verkochten aan de familie Wisselink.
Ze hadden voor deze beide molens de N.V. v/h B.H. Boeyink opgezet.

De molen was Oud-Hollands opgehekt en was reeds met een ijzeren bovenas uitgerust.
De roeden zijn verschillend ingespannen met op de binnenroede twee halve schuinen en op de buitenroede twee volle zeilen.
De lange spruit is hier op een Groningse manier verwerkt, in het midden van de molenkap.
De molen is maar 46 jaar gebruikt en stond aan de Boeyinkweg in de Heidenhoek.
Er is nu niets meer van de molen te vinden.















Standert korenmolen Hummeloseweg

De standerdmolen aan de Hummeloseweg. Deze windkorenmolen treffen we al aan op 18 september 1471 als eigendom van Herman van Middachten.
De heer van dit kasteel in De Steeg bezat namelijk het windrecht in Zelhem.
In deze tijd waren de korenmolens meestal in bezit van adellijke families die er vaak hun bastaardzonen als eigenaar op zetten.
Op hun beurt verpachtten zij de molen aan derden als bron van inkomsten.
De pachtgelden samen met de heffingen op de wind stonden borg voor een leuke bron van inkomsten.

In 1541 krijgt Karel van Gelre er een buitenechtelijk kind bij, die bij de erfdeling van de Middachtengoederen de windmolen in Zelhem toebedeeld kreeg.
Hij moet aan zijn twee halfzusters in het klooster te Arnhem jaarlijks 20 mud rogge uit de molen leveren.
Dit zal vermoedelijk de pacht zijn van de molen die de pachter jaarlijks betaalde.

De standertkorenmolen was in 1686 in het bezit van Baron van Weede en Balgoyen en zijn gemalin de Baronesse van Raesvelt.
Jantje Dimmendaals was de pachteres, zij was weduwe van Jan Coops in 1689, in 1692 wordt zij ook nog genoemd als pachteres.
Door het huwelijk van de dochter van de eigenaar gaat de molen over in Duits adellijk bezit, in 1732 wordt Furstin Sophia Everdina tot Anholt-Berenburg, gemalin van Furst Cristiaan tot Schartzenburg-Sonderhausen, de eigenaresse.
Metgen Enserinck, weduwe van Hendrick Coops, was toen pachteres.

In 1755 heeft Johannes Jacobus Cremers de molen als onderpand, wegens geleend geld aan de Douariëre tot Schwartsenburg - Sonderhausen.
In de zeventiende eeuw sprak men van De Windmolen op de Enck in het archief Aartsbisdom van Utrecht.
Blijkens een akte van 25 maart 1756 gaat de windkorenmolen cum annexis te Zelhem in pandschap aan Hendrick Hesselink en zijn huisvrouw Harmyna Coops Hendriksdochter.
In een akte van 17 juni 1757 staat dat indien na verloop van 16 of 20 jaren geen terugbetaling van de pandpenningen ad. Fl. 900,- kwam te geschieden, de molen vervalt in eigendom aan Hendrick Hesselink (1723-1787) en zijn huisvrouw Harmyna Coops (1703-1764) of hun erfgenamen.
Op 27-10-1773 koopt hij van Douairière Fürst von Schwartzenberg-Sonderhausen, Hertogin von Saksen, geb. Fürstin von Anholt-Berenburg de standertmolen te Zelhem.

In 1804 verpachtte Hendrick Hesselink deze Zelhemse molen tot 1818 aan Derck Coops.
Ze kregen echter onenigheid over de pacht en/of het onderhoud van de molen, waarna Derck Coops zelf een molen laat bouwen aan de Wiekenweg te Zelhem.
Dit was de zogenaamde Nieuwe molen van Zelhem.

De standertmolen wordt in 1820 verkocht aan Teunis Molenkamp.
Tot op dit moment zijn zijn nakomelingen er gevestigd.
Op het terrein van deze molen aan de Hummeloseweg is, na een aanvraag van de weduwe Becking op 10 mei 1833, een oliemolen gebouwd op de plek waar nu het dubbele woonhuis staat van de familie Molenkamp.
In 1919 wordt de standertmolen afgebroken.
Er wordt een moderne maalderij gebouwd die tot 1966 als zodanig in gebruik geweest.
De dierenspeciaalzaak van Molenkamp en Te Pas is er nog steeds gevestigd.
Op het oude molenerf is een nieuwe woonwijk gebouwd van 18 woningen.
Het wijkje wordt Möldershofke genoemd, maar van de oude molen is er niets terug te vinden.

De standert korenmolen was niet bijzonder groot te noemen.
Ze had een gemiddelde roedelengte (wieklengte) van 20 á 22 meter en een houten bovenas met ijzeren stroppen er omheen.
Daarnaast had ze een houten wiekenkruis en zelfs een dubbele wafel op de binnenroede.
Als er niet zoveel wind stond werden er zeilen op de wieken gedaan om het rendement te verbeteren.















De Coops molen in Halle

De Molenweg in Halle herinnert nu nog steeds aan de stenen beltmolen, met in de kunstmatig opgeworpen heuvel de inrit van de molen.
Deze molen werd in 1848 gebouwd door J.C. Horsting, de rentmeester van kasteel De Slangenburg.
Hij was de vader van de bouwer van de Wittebrinksemolen.
De molen in Halle. In 1866 werd de molenaar van de watermolen in Lochem, de heer G.H. Coops, eigenaar van de Halse molen.
Het geslacht Coops komt van oorsprong uit Doetinchem en leverde in de zestiende eeuw al molenaars in Zelhem.
In oude aktes lezen wij dan ook al: Coops, die muller van Selm, is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de oudste voorvader van het molenaarsgeslacht.
In rekeningen van de stad Doetinchem aan het eind van de zeventiende eeuw worden Hendrik, Derck en Jan Coops genoemd als pachters van het stadsgemaal van Doetinchem.
Dit gemaal bestond in die tijd uit zowel een wind- als een waterradmolen.

De Halse beltmolen is tot 1925 als windmolen in gebruik geweest.
Op 2-3-1900 Krijgt Bernardus Coops toestemming voor het plaatsen van een petroleummotor in de molen.

Inmiddels was de molenbelt afgegraven en was er rondom de molen al een nieuw bedrijfsgebouw gebouwd waar de molen binnenin stond.
Later is er nog diverse keren uitgebreid en zijn er silo’s bijgebouwd.
De komst van de petroleummotoren maakte dat men niet meer afhankelijk was van de wind.

In de tweede wereldoorlog is de molen door bommen dermate getroffen, dat hij als korenmolen niet meer bruikbaar was om zijn werk te verrichten.
In 1955 zijn de laatste restanten van de wieken en ook het kruigedeelte om de kap te kunnen draaien er afgehaald.
Daardoor degradeerde de molen tot een peperbus.



Op bovenstaand filmpje zie je de maalderij in bedrijf in 1980, de romp staat er dan nog.
In de jaren negentig van de vorige eeuw is de romp geheel gesloopt en er is nu niets meer terug te vinden van de korenmolen, die eens de trots van Halle was.
Er staat nu een moderne maalderij aan de Molenweg.















De Wittebrinkse molen

In de Wittebrink, bijna 4 kilometer van Zelhem verwijderd, staat nog de enige, met wieken voorziene, geheel bedrijfsklare molen van Zelhem.
De Wittenbrinkse molen. Het metselwerk werd gedaan door de Gebr. Gerritsen molenmakers uit de Keijenborg in opdracht van Hendrik Scholten.
Zij metselden de molen met een verkeerde schuinte, zodat de molen niet de geplande hoogte kreeg.
De ring bovenin de molen zou te klein worden om de kap te kunnen dragen.
Daarom is deze molen kleiner uitgevallen dan de bedoeling was.
De kap van de molen was eerst bedekt met asfaltpapier en niet met riet.
Dit asfaltpapier ging lekken bij warmte en zorgde ervoor dat de molenromp vervuilde, zoals nu nog te zien is.

De boeren uit deze omgeving waren tot de bouw van deze molen gedwongen hun graan te laten malen op de molen van Coops in Zelhem of de waterradmolen in Keppel.
Voor die tijd waren de afstanden van belang en daarom werd de molen in de Wittebrink opgericht.
Na het overlijden van molenaar H. Scholten in 1906, huwde zijn weduwe in 1908 met de heer E.J. Wolsink, waarna H.J. Oldenhave vanaf 1942 de Wittebrinkse molen bemaalt, samen met zijn schoonvader.
Dit gaat zo door tot aan het overlijden van E.J. Wolsink in 1956. Van 1956-1983 is A.E. Oldenhave-Wolsink eigenaar en J.L. Oldenhave van 1983 tot heden.

In 1955 heeft A.E. Oldenhave, samen met zijn knecht Wim Heersink, de molenkap geheel vervangen en van een rieten kap voorzien.
Als dit niet was gebeurd, was de molen nu ook een bouwval geweest.
Hiervoor hebben zij toen een oorkonde gekregen van de vereniging De Hollandsche Molen.

In 1970 heeft de hele molen een volgende restauratie ondergaan door molenrestaurateur A.I. Beckers uit Bredevoort.
Dat gebeurde onder supervisie van de molen deskundige J.H. Rijnenberg uit Heelsum. Monumentenzorg heeft veertig procent van de kosten voor rekening genomen, de provincie dertig en de gemeente Zelhem twintig procent.
De eigenaar heeft tien procent bijgedragen.
Het bijgebouw van de molen kreeg als opschrift de naam Luctor et Emergo (Ik worstel en kom boven), hetgeen ook de wapenspreuk is van de provincie Zeeland.
Deze spreuk is door Zeeuwse metselaars aangebracht.

In het bijgebouw was de granen-, kunstmest- en mengvoederhandel gevestigd.
Fier op de kap staat een windvaan die een springend paard voorstelt.
Helaas staat de molen nu stil en is er geen molenactiviteit meer waar te nemen.

Bron:
Website Oud Zelhem.
Internet molendatabase.