De flamingo's hebben het moeilijk in het Zwillbrocker Venn. Dat heeft te maken met het beheer van het gebied. Om dit duidelijk te maken, eerst een stukje geschiedenis.

Het 175 hectare grote veen- en heidegebied ontstond door ontbossing en het afgraven van turf. Ook een reusachtige brand, in 1923, kerfde zijn sporen in het natuurterrein. In 1938 riep de Duitse regering het Zwillbrocker Venn uit tot natuurreservaat. Direct werden maatregelen genomen om de waterstand te verhogen, teneinde het hoogveen te behouden. Zo ontstond een 35 hectare groot meer met een gemiddelde diepte van 50 tot 70 centimeter.

"In de jaren dertig vestigden zich hier de eerste paartjes kokmeeuwen", vertelt Hermann Frieling. "Het Zwillbrocker Venn is nu de grootste kokmeeuwenkolonie van West-Europa."

De aanwezigheid van zo'n groot aantal kokmeeuwen is voor de flora en fauna in het veengebied een grote belasting. "Met name de enorme hoeveelheid vogelmest stelt het beheer van dit oorspronkelijk voedselarme hoogveenmilieu voor grote problemen. We proberen de zaak te reguleren door middel van de waterstand. Een lage waterstand betekent minder meeuwen. De eilandjes veranderen in schiereilandjes, zodat vossen, bunzings en andere nestrovers hun kans grijpen. Maar die vreten niet alleen de eieren van de meeuwen op, ook de flamingo's en andere vogelsoorten lijden er onder.

Het is dus geen gemakkelijke opgave voor de beheerders een goed evenwicht zien te bewaren op het slappe koord tussen natuurbescherming en overlast. Gidsen vertellen er over tijdens speciale rondleidingen voor groepen, die regelmatig in het Zwillbrocker Venn plaatsvinden.